Wetenschap

P.B. CLITEUR, H.D. PAPMA, R.T.P. WICHE (red.): Overtuigend bewijs. Over het wetenschappelijke van niet-exacte wetenschappen

160 blz., Boom 1994, ƒ 32,50

Wetenschap wordt aan de universiteit onderwezen. Maar is alles wat aan de universiteit onderwezen wordt ook wetenschap? De universiteit van Leiden heeft twee jaar geleden een studium generale aan die vraag besteed, en zes vertegenwoordigers van wetenschappen met een 'bedenkelijke' reputatie uitgenodigd hun zegje te doen. Het resultaat is te vinden in een boekje waar succesievelijk vrouwenstudies, geschiedenis, literatuurkritiek, theologie, filosofie en rechten hun 'oratio pro domo' houden. Een knappe inleiding, die zich dienstig in de bochten van alle partijen wringt, ontvangt de gasten.

Aan de ingang wordt één pleiter met onderscheiding begroet: tenslotte is de filosofie gespecialiseerd in deze kwestie. Van Nierop houdt de vlag van de wijsbegeerte overigens niet heel hoog, maar dat zal het gevolg van de traditionele zelfverzekerdheid onder filosofen zijn.

Voor het merendeel van de genodigden is het 'postmodernisme' - de recente loot aan de sceptische school die alle beweringen van welke aard ook als niet meer dan 'talige feiten' en 'narratieve fenomenen' opvat - de toetssteen van alle kritiek op vermeende onwetenschappelijkheid. En Van Nierop riposteert op de aanvallen uit die hoek met een laconiek “maar die auteurs staan bij de boekhandel toch zeker onder 'filosofie' in de kast en niet onder literatuur?” Die nonchalance staat in tegenstelling tot de ernst waarmee Cliteur zich aan het einde van zijn lange exposé over de wetenschappelijke status van de rechtenstudie verweert tegen het bijtend zuur van het moderne relativisme: “De wet is nu eenmaal geen gedicht naar aanleiding waarvan elke rechtswetenschapper zijn fantasie de vrije loop kan laten, maar een fundamenteel contract waaraan mensen hun goedkeuring hebben gegeven om de vrede te handhaven.”

Men is benieuwd wat de literatuurcriticus dan met de postmoderne zwarte piet doet die hij van verschillende kanten krijgt toegeschoven. Noemt hij de literatuur niet 'houdbare illusies', een term waar elke postmodernist zijn vingers bij moet aflikken? Maar Peeters beijvert zich heel ouderwets om het publiek uit te leggen hoe precies een criticus te werk gaat: hij onderwerpt de literaire illusies aan een batterij proeven en bewerkingen in zijn inwendige die tezamen de 'ideografie' zoals Peeters het noemt van de criticus vormen. Er steekt in die manipulatie van teksten, waarbij de psychologie van de criticus, zijn kennis van zaken en zijn politieke visie en nog vele andere faculteiten worden aangesproken, veel persoonlijks en willekeurigs, maar dat hoeft niet te hinderen. Als die filters en zeven eerlijk en openlijk worden gebruikt, kan de lezer, niet ondanks maar dank zij het smoel van de vent, de kritiek beoordelen.

Joyce Outshoorn voert het woord voor de vrouwenstudies. Zij is van alle pleitbezorgers de enige die de gevreesde postmoderne slang aan haar borst koestert. Zij is namelijk van mening dat de werkelijkheid in 'constructies' verteld wordt, en in haar geval wil dat zeggen dat al die praatjes van wetenschappers over objectiviteit en toetsbaarheid een masculinistisch regime verbergen. Als advocaat van de postmoderne idee dat wij in een sprookjeswereld leven, èn als feministe heeft zij dus eigenlijk geen boodschap aan de vraag van het studium generale. Het ritueel jargon van Outshoorn is bedoeld voor exorcisme, niet voor analyse.

Op historici is het natuurlijk prijsschieten voor postmodernisten. Met een beetje goede en veel kwade wil kan elk document waarop ze steunen, en elk verhaal dat ze overleveren als een verdichtsel worden beschouwd. Von der Dunk neemt die uitdaging nog zwaarder op dan Cliteur in het geval van de rechten deed, en komt na veel vijven en zessen tot iets dat meer op een openbaring dan op een conclusie lijkt, namelijk dat het historisch verhaal onvermijdelijk een persoonlijk perspectief bezit, maar “in alle perspectivische waarheid is een universele tijdloze vonk die de generaties verbindt”.

Voor één deelnemer is de moderne scepsis niet de vijand, maar de strenge Methodologie van A.D. de Groot (1972). De klassieke eisen van toetsbaarheid, precisie en vrijheid van contradicties die daar geformuleerd staan zijn voor de theologie onoverkomelijk, bekent Adriaanse ruiterlijk. De eenvoud van zijn betoog doet weldadig aan temidden van de modieuze schermutselingen. Zijn bede aan het slot dat de universiteit toch een plaatsje blijve inruimen voor zulke “buitenwetenschappelijke activiteiten (zoals de theologie) die de symbiose met de wetenschappelijke omgeving niet kunnen of willen missen”, klinkt echter nogal wanhopig.

    • Samuel de Lange