Vroege oordelen

PARLEMENTAIRE ENQUÊTES in Nederland kennen alle hun eigen loop der gebeurtenissen. De RSV-enquête in het begin van de jaren tachtig leidde na afloop van het onderzoek tot de roep om het vertrek van de verantwoordelijken. De bouwenquête leverde in de persoon van staatssecretaris Brokx van volkshuisvesting al een slachtoffer op toen de speciale Kamercommissie nog aan haar werkzaamheden moest beginnen. En de IRT-enquête heeft deze week ook al weer voor een noviteit gezorgd. Terwijl de verhoren van de enquête-commissie nog in volle gang zijn, kwam de aankondiging van het vertrek van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck.

Minister Sorgdrager van justitie heeft het oordeel van de onderzoekscommissie over deze hoofdrolspeler niet willen afwachten. Uit de brief die de minister naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, blijkt zelfs dat de ontslagprocedure al eerder in gang was gezet. Wat dat betreft was het optreden van Van Randwijck tegenover de enquête-commissie dan ook meer een bevestiging van de onhoudbare positie waarin hij toch al was komen te verkeren. Het is het goede recht van de minister om, los van en vooruitlopend op de bevindingen van de enquête-commissie, maatregelen te treffen. Er was immers de afspraak gemaakt dat het onderzoek van de Tweede-Kamercommissie de lopende werkzaamheden niet in de weg zou mogen staan.

WIE ECHTER ONMOGELIJK op het eindrapport van de enquête-commissie kunnen vooruitlopen zijn de leden van de commissie zelf. De Kamerleden Rabbae (GroenLinks) en Koekkoek (CDA) hebben dat deze week wel gedaan. Met hun instemmende commentaar op het vertrek van Van Randwijck zijn zij dan ook ver over de schreef gegaan. Daarbij heeft Rabbae het ongetwijfeld het bontst gemaakt met zijn uitspraak dat het voorbeeld van Van Randwijck door anderen gevolgd zou moeten worden. Beide commissieleden hebben zich met hun uitspraken gediskwalificeerd.

Het pijnlijke incident van deze week accentueert nog eens het bijzondere van de enquête-commissie. Dat betreft allereerst het onderwerp. Vanwege de gevoeligheid balanceert de commissie keer op keer op de grens tussen openbaarheid en vertrouwelijkheid. De meest vertrouwelijke informatie is zelfs alleen bij voorzitter Van Traa en vice-voorzitter De Graaf bekend. Een dergelijke noodgedwongen scheiding vergt nogal wat vertrouwen over en weer.

MAAR DE ZWAARTE van de materie eist ook commissieleden met enige ervaring. Het opvallende van de samenstelling van de commissie-Van Traa is nu juist dat, los van de voorzitter, alle overige zes vaste leden tot de groep nieuwkomers in de Tweede Kamer behoren. Het is vooral CDA en VVD aan te rekenen dat zij er indertijd van hebben afgezien mensen met de zo gewenste 'ervaring' naar de commissie af te vaardigen. Hun aanvankelijke twijfel over de noodzaak van een parlementair onderzoek zal hier zeker mee te maken hebben. Maar het oordeel over de wenselijkheid had de keuze van mensen niet mogen bepalen. Omdat het onderwerp van de enquête te belangrijk is en ook nog eens omdat het feit van een kwalitatief tekortschietende commissie uiteindelijk toch op de Tweede Kamer in haar totaliteit zal terugslaan.