Vage kloof

GERARD VISSCHER: Kiezersonderzoek op een dwaalspoor

64 blz., Sdu 1995, ƒ 19,90

J.J.M. VAN HOLSTEYN en B. NIEMÖLLER (red.): De Nederlandse kiezer 1994

262 blz., DSWO Press, RU Leiden 1995, ƒ 29,50

Wie in Nederland het woord kloof hoort, weet direct waarover het gaat: de kloof tussen kiezer en gekozene. Of iets minder verheven: de kloof tussen het volk en zijn bestuurders. De deze week gepresenteerde kabinetsvoorstellen om te komen tot een correctief referendum en een nieuw kiesstelsel moeten ook tegen de achtergrond van die gapende kloof worden bezien. Niet voor niets staat in het regeerakkoord van PvdA, VVD en D66 dat het “voertuig” voor de uitvoering van het beleid is verouderd en “geen greep heeft op de concrete problemen zoals burgers die ervaren”.

Toch is de kloof een subjectief verschijnsel. De Leidse hoogleraar parlementaire geschiedenis J.Th.J. van den Berg heeft zich eens laten ontvallen dat het hier om een “geloofsartikel pur sang” gaat, dat voornamelijk leeft bij de “lichtelijk gefrustreerde intellectuelen die de forum- en opiniepagina's van onze dagbladen bevolken”. Het ontkennen van de kloof is overigens een vertrouwd geluid uit Leiden. Niet voor niets wordt in dit verband gesproken over de 'Leidse school'.

Vorig jaar presenteerden representanten van deze school nog het boekje Het grote ongenoegen. De auteurs Herman van Gunsteren en Rudy Andeweg vergeleken de kloof daarin met het monster van Loch Ness. “Het kloofdenken blijkt voor onderzoeksresultaten even onvatbaar als het geloof in het Schotse zeemonster”, concludeerden zij. Als bewijsmateriaal diende onder andere het nationaal kiezersonderzoek dat de gezamenlijke universteiten al sinds het begin van de jaren zeventig uitvoeren. Dat laat keer op keer het tegendeel van de kloof zien. “Zo er al een verschuiving zichtbaar is, is die onmiskenbaar in de richting van meer en niet minder politieke belangstelling”.

Het jongste nationaal kiezersonderzoek, gehouden naar aanleiding van de verkiezingen van vorig jaar, lijkt wederom een bewijs voor de stelling van het niet bestaan van de kloof. De politicoloog J. Thomassen schrijft in het onlangs verschenen boek De Nederlandse Kiezer 1994, gebaseerd op de resultaten van dit grootschalige kiezersonderzoek, dat het een “feit” is dat in Nederland “de politieke interesse en het politieke zelfvertrouwen in de afgelopen decennia, geheel in strijd met de regelmatig in de media gedebiteerde wijsheden, eerder zijn toegenomen dan afgenomen”. Thomassen leidt dit ondere andere af uit het antwoord op de vraag hoe de kiezers anno 1994 dachten over democratie. Slechts een zeer gering percentage van de ondervraagden (drie procent van de kiezers) verbindt negatieve connotaties aan het begrip democratie. In 1972 was het aantal negatieve reacties aanzienlijk groter. De conclusie van Thomassen: “Wie zo graag een crisis in de democratie wil zien, zal andere gegevens moeten zoeken.”

Uitgerekend in Leiden, de bakermat van het anti-kloofdenken is dat gebeurd. De politicoloog Gerard Visscher is niet op zoek gegaan naar andere gegevens, maar heeft de methode van onderzoek kritisch bekeken. Het heeft hem gebracht tot de onthullende stelling, dat er uitgerekend met dat nationaal kiezersonderzoek een heleboel mis is. Visscher in zijn boek: “Op basis van de resultaten van acht opeenvolgende nationale kiezersonderzoeken is door de samenwerkende universitaire politicologische instituten een zeer vertekend beeld geschetst van de electorale werkelijkheid.”

Dat dit soort eigenwijzigheden in wetenschappelijke kring niet bon ton is, heeft Visscher aan den lijve mogen ondervinden. Hij kwam al tot deze conclusie in 1985 toen hij de eerste maanden van zijn onderwijsvrije periode aan de Leidse universteit had besteed aan het doorlichten van het nationaal kiezersonderzoek. Zoals Visscher zelf in zijn boek schrijft, viel hij tijdens zijn onderzoek van de ene verbazing in de andere. De reacties van zijn wetenschappelijke omgeving varieerden van aarzelend tot onvriendelijk. Was het niet de bedoeling dat hij zijn onderwijsvrije periode zou benutten voor het schrijven van een proefschrift over het functioneren van het parlement?

Vandaar dat hij de draad van zijn onderzoek pas vorig jaar, na het afronden van zijn dissertatie, weer heeft opgepakt. Visscher constateerde al snel dat er in die tien jaar nog weinig was veranderd. De paradox waarmee hij aan de slag ging was de bewering in opeenvolgende nationale kiezersonderzoeken dat er sprake was van een toenemende politieke interesse, terwijl de werkelijkheid toch anders leek te zijn. De verklaring hiervoor is vrij simpel. Het aantal mensen dat aan het vrij intensieve nationaal kiezersonderzoek wenst mee te doen (een gesprek met een enquêteur of enquêtrice die thuis moet worden ontvangen, kost gemiddeld vijftig minuten), is telkens afgenomen. In het midden van de jaren zestig weigerde één op de vijf niet in politiek geïnteresseerde noemende burgers aan het kiezersonderzoek mee te werken. In de jaren negentig weigerde vier op de vijf mensen dit. Anders gezegd, om toch aan het aantal benodigde respondenten te komen kwamen de onderzoekers steeds vaker terecht bij de wel in politiek geïnteresseerde burgers. Die blijken ook veel trouwer op te komen bij de verkiezingen.

De gegevens van Visscher spreken bijna voor zichzelf. In 1971 lag het percentage niet-stemmers onder kiesgerechtigde burgers ruim anderhalf maal hoger dan dat van de deelnemers aan het onderzoek. In 1994 was het aantal niet-stemmers dat aan het onderzoek meedeed drie keer lager dan het landelijke opkomstcijfer. Nu zegt opkomst natuurlijk niet alles over politieke interesse, maar zo'n significant verschil kan eigenlijk niet onbesproken blijven. Of zegt het toch weinig? Visscher stelt vast dat zijn vakgenoten die gevolgtrekking in elk geval niet zo gemakkelijk maken. “Hoe meer geschoold in de politieke wetenschap, des te sterker de overtuiging dat de weigeraars in kiezersonderzoek zich niet duidelijk onderscheiden van degene die wel aan het onderzoek meedoen. Een hele generatie hoogleraren politicologie en andere ervaren onderzoekers kan het al jarenlang niet opbrengen te erkennen dat vooral niet in politiek geïnteresseerde burgers weigeren aan het nationaal kiezersonderzoek mee te werken, met alle vertekening van dien.”

Nagenoeg de helft van de bevolking wil geen vragen meer over politiek beantwoorden, maar toch zou volgens de onderzoekers bijna tachtig procent van Nederland in politiek geïnteresseerd zijn. Visscher: “Als we zo doorgaan wil in 2025 nog twintig procent meewerken aan het onderzoek en zal 98 tot 99 procent van de respondenten zeggen in politiek geïnteresseerd te zijn.” Het zijn deze sarcastische en even dodelijke als heldere conclusies die het boekje van Visscher zo aardig maken.

Het politieke debat mag dan nog steeds niet leven, het debat onder politicologen leeft na verschijning ervan wel degelijk.

    • Mark Kranenburg