Regisseur Erik Vos; God is het machteloze reiken naar onszelf

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Iedere maand spreekt Frénk van der Linden met iemand die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht heeft in geloof, dood of liefde. Over deze drie kernthema's van het leven deze week een gesprek met regisseur Erik Vos (66), ruim veertig jaar getrouwd met schrijfster Inez van Dullemen. 'Ik ben verstoten uit het paradijs.'

Er was een vrouwtje dat het bloed van Inez bij liters opdweilde. Ik zie de emmer nog staan. We waren op een Grieks eiland, indertijd van alle voorzieningen verstoken. Een paar dagen eerder had ze buikpijn gekregen. 'Ik zwel en zwel, ik knáp', zei ze. Op een nacht was er een aardbeving. De lamp in ons hotelkamertje wiegde heen en weer boven het bed. Ik haalde een dokter, eiste: 'Snijd haar open'. Geen verdoving; die man beschikte alleen over eau de cologne. Hij stak zijn mes in de harde buik. Woesj, het kletterde eruit. Na de operatie werd Inez à l'improviste dichtgenaaid.

Zij was 24, ik 21 - net van de toneelschool. Een week lagen we naast elkaar te hopen, te bidden. Het werd alleen maar erger. Inez at en dronk niet meer. Ik zag haar doodgaan. Weg, we moesten weg! Omdat daar geen schepen konden aanleggen, besloot ik een roeiboot te huren, de zee op te gaan, één of andere schuit te enteren. Het lukte. De vier mannen die ik had gecharterd wisten haar dansend op de golven het ruim van een vrachtvaarder binnen te wringen. Omringd door meloenen zetten we koers richting Athene. 'You come from very far', zei een arts in de kliniek waar Inez werd geholpen. 'Ja, Mykonos', antwoordde ze. 'Nee', lachte hij, 'van over de allerverste grens. Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand zoiets doorstond.' Het was een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. We hebben later kinderen geadopteerd. Griekse. De plek waar het was misgegaan, moest ons nieuw leven geven.

Je kent natuurlijk Verwoeste stad, het beroemde beeld in Rotterdam. Gemeentebestuurders beweren steevast dat het gat in het lichaam het weggerukte hart symboliseert. Onzin. Ik heb twee brieven gestuurd, maar ze willen me niet geloven: de buik is verdwenen. Zadkine, de maker, heeft het me zelf verteld. Die vrouw kan geen kinderen meer krijgen! Dát is de tragiek, dát is de essentie.

Ik ben verstoten uit het paradijs. Als jongetje van acht. Daar is alles mee begonnen. Mijn ouders deden weinig aan me. Affectie: nul. Vader was directeur van een volkssanatorium in Hellendoorn, een hele gesloten joodse man. Ik geloof dat hij zijn zeven kinderen even zovele 'rampen' vond. Moeder was een egocentrische, dominerende, manisch-depressieve vrouw. Beiden bleken niet in staat tot het geven van liefde. Ik ben ze er eeuwig dankbaar voor - bizar maar waar. Het dwong me een fantasiewereld te scheppen. Ik trok door de bossen achter het hospitaal. Veranderde in een diertje, een wildeman, ontwikkelde mijn creativiteit. Genoot.

Plotseling werd ik uit dat walhalla verbannen. Drie jaar voor de oorlog besloten mijn ouders - die bij gebrek aan wederzijdse interesse überhaupt niet hadden moeten trouwen - van de ene op de andere dag te scheiden. Ik wist althans van niets. We gingen sinterklaas vieren bij opa en oma in Utrecht, en daar werd ik die avond gedumpt. Grootvader was kolonel, een bullebak. Hij strafte met harde hand en vaardigde een verbod op buiten spelen uit. De grúwel: als ik nou per se een autoped wilde gebruiken, moest ik maar rondjes gaan rijden in de kelder.

Het begin van een zwervend bestaan. Pleeggezinnen, een tijdje bij mijn vader, tehuizen, een tijdje bij mijn moeder... Af en toe waren er mensen, vrouwen vooral, die me zonder voorbehoud koesterden. Toch is dat te weinig. Je wordt een onzeker weggooijongetje. Als middelbare school-leerling stond ik 's winters vaak te dralen voor een etalage met gordijnen en schemerlampen. Ik had slechts één wens: dat ik later een warm huis zou krijgen - een nest met een geliefde erin. Kinderen die niet sterk zijn, gaan kapot aan dat hunkeren. Ik overleefde. Ik bouwde een harnas op, en ik vocht, sloeg, trapte. Niets raakte mij. Lange tijd stond ik bekend als een onaangename knaap, een schreeuwerd. Inez zegt altijd: 'Ik denk dat je in feite een heel lief ventje was. Ze keken gewoon schandelijk slecht naar je'.

Ik ontmoette haar in Parijs, begin jaren vijftig. Net als ik woonde ze in de cité universitaire. Piepjong, met een beurs voor haar eerste boek. Ze was intens verleidelijk, blond, een soort godin. Tot mijn verdriet zwermden er allerlei mannen om haar heen: een Hongaarse dichter, een Arabische arts... Maar ik ben een prijsbokser, voelde me uitgedaagd. Ik zette als een pauw mijn veren op. Volgens Inez heb ik me de eerste keer dat we elkaar zagen midden in het College Néerlandais voor haar voeten geworpen. Bam, als een omvallende Eiffeltoren. Doodeng. Was me net geleerd door de fameuze Etienne Decroux, bij wie ik mime speelde. 'Jou, jóu moet ik hebben', riep ik. En ik kreeg haar.

Inez had alles wat ik niet had. Rust. Integriteit. Kracht. Bescheidenheid. En duisternis. Ik was brutaal, grillig, oppervlakkig, energiek. En opschepperig, terwijl ik nog niks kon. I was bluffing my way through life. Wilden ze niet van me houden? Nou, dan organiseerde ik wel compensatie: lof, schouderkloppen. Kon me niet schelen hoe ik eraan kwam. Desnoods door bedrog. In de tweede van het gymnasium gaf ik mijn moeder schitterende tekeningen kado, gejat van mijn klasgenoot Erich Zürcher, de latere hoogleraar sinologie. 'Heb ik gemaakt', verklaarde ik ijskoud. Ze werden aan jan en alleman geshowd: wat kon die kleine Vos tekenen! Het ging een eigen leven leiden. De angst dat het zou uitkomen sloeg zodanig bij me toe dat ik op een nacht stiekem een gat in het plantsoen spitte en daar de hele handel in donderde. De volgende dag was iedereen in rep en roer: waar waren die prachtige schetsen gebleven? Gossie, ik had geen flauw idee. Later ben ik mijn daden bewuster gaan kiezen, maar dat trekje is nooit helemaal verdwenen.

Inez keek er van meet af aan doorheen. Zij zag mijn prille vermogen om magie uit te oefenen, mensen te betoveren. Ze zei: 'Ik ben verliefd op jouw toekomst'. Alsof ze een investeringsobject koos. In eerste instantie leek ze alleen maar gek op mijn lef, mijn vitaliteit. Ik sleepte haar mee naar Zadkine. Die ontving elke zondag mensen in zijn Parijse atelier. Hij was bezig met een houten beeld, gemaakt uit een boomstam met een barst. 'Ik kerf een man en een vrouw tevoorschijn', zei hij. 'Gescheiden door die spleet maar een geheel - één stuk hout.' Inez en ik, dacht ik. Zo zullen we zijn.

Ik wilde per se trouwen met een kunstenares. Iemand die iets speciaals voorstelde. Het is toch walgelijk als een vrouw zich puur ten dienste van je stelt? Je verveelt je al snel te pletter. Als beide partners kwaliteiten hebben, tillen ze elkaar naar een hoger plan. Ik heb me voor Inez altijd gedragen als een heilige rover: zodra ik iets ruik waarmee ze haar schrijverschap kan verdiepen, pik ik het weg en krijgt ze het aangereikt. Dat beschouw ik als een absolute plicht tegenover Inez en haar lezers.

Het is goed voor mij een vrouw te hebben die ik bewonder. Ook buiten het vak om. In kleine zaken heb ik meestal gelijk; in grote, beslissende zaken zij. Ik ga blindelings op haar af. Inez redt me dag in, dag uit van de chaos. Zonder haar bedding kolkt mijn water alle kanten op. In de loop van de jaren ben ik voor haar gaan betekenen wat Bobby is voor Kuifje: het avontuurlijke element, het durfal-achtige. Ik snuffel, ik ga voorop. Grenzen zijn er om te worden overschreden. Ik hoef in Japan, de VS, Nepal of India maar een rouwstoet achter een kist te zien sjokken, of kruip er tussen. Knarsetandend maar geïntrigeerd loopt Inez mee, en dan vieren we twee dagen lang met die familie de begrafenis.

Ik heb een talent voor de dood. Hij zit in m'n genen. Tegenover mijn ouderlijke woning in Hellendoorn, aan de overkant van de weg, stond een lijkenhuisje. Dat was taboe. Daar mocht ik nooit komen. Als ze met paard en wagen een gestorven patiënt kwamen ophalen, werd ik naar de achterkamer gestuurd. Ik hoor nog het geluid van de wielen op de straatstenen, dat klak-klak-klakken van de hoeven... Wat vond ik dat beangstigend en aantrekkelijk. Op een dag heb ik geprobeerd door een kier van de deur naar een overledene te kijken. Mislukt. Toen moet het ei zijn gelegd: ik kon er niet bíj.

De wens door te dringen in het verbodene, het ontoegankelijke, is altijd gebleven. Het is een obsessie die ik deel met Inez, een obsessie die sterker en sterker wordt als je levenseinde nadert. Wij zijn verslaafd aan de verbazing die de dood oproept. Niets verbijstert méér. In Auschwitz komt dat het meest extreem tot uitdrukking. Gott hat verborgen sein Gesicht, las ik daar op een muur. Bestaat er een god? En als-ie zijn gezicht heeft verborgen, ís het dan wel een god? Hebben we te maken met een sadist? Waarom tolereert hij anders de dood, zelfs de massa-dood?

Inez en ik waren als kinderen al gebiologeerd door vragen over leven en sterven. De oorlog verhevigde dat. Fantastisch dat we het hebben mogen meemaken - een wreed soort goldmine. Haar vader, advocaat-generaal bij het gerechtshof in Amsterdam, had een NSB'er boven zich staan. Die werd vermoord door het verzet. De Duitsers besloten iedereen in zijn nabije omgeving te fusilleren. Een paar minuten voordat de Gestapo Inez' vader kwam oppakken, had hij het huis verlaten om onder te duiken.

Ook míjn vader ontkwam op miraculeuze wijze. Hij zat vast in Almelo. Op een gegeven moment gingen SS'ers door het gevangenisblok om plompverloren mensen kapot te schieten. De bewaker die mijn vaders cel opende, bleek een oud-patiënt van hem te zijn. 'Mijn god, dokter!', zei-ie. Hij liet zijn geweer zakken en gooide de deur weer dicht. Iedereen afgemaakt - behalve meneer Vos. Op het moment dat ik het verhaal hoorde, had ik mijn eerste dode al gezien. Een Duitse soldaat. Ik was veertien, speelde onder de struiken in het Wilhelminapark: hé, een levenloze man in een grijs uniform. Bladeren verwijderd, kijken, kijken, kijken. Eindelijk.

Zulke voorvallen heb ik nooit uit mijn hoofd kunnen wissen. Een paard, plat op de weg. Ik was in de hongerwinter met mijn fietsje eten aan het ophalen. Bij Apeldoorn doken er vliegtuigen naar beneden. Ik liet me direct in een greppel vallen, hoorde de kogels voorbij fluiten, zag vanuit een ooghoek een beest in de wei neerploffen. Daarna: doodsdruppelplekjes op de vacht van dat witte dier. Beelden die altijd blijven spoken, maar die ik ook zóek. Tijdens mijn studie medicijnen werden er cavia's vergast. Die gebruikten we voor het snij-uurtje. In het zoölogisch laboratorium was ik de enige die toekeek.Langzaam lieten ze het leven, werden ze die Duitser in het park.

Griekenland heeft de dood definitief tot ons onderwerp, onze fascinatie gemaakt. Absurd dat twee mensen juist door het eindige zo verbonden raken. Inmiddels heb ik nóg twee doodservaringen met Inez gehad. Vijf jaar geleden bezweek ze bijna aan een zeldzame malaria-variant die ze in Guatemala had opgedaan. En in '94 moest ze door de politie uit een auto worden gezaagd. Ze zou een lezing houden in Zwolle, daar kwam een vrachtwagen tussen. Vlak voor haar vertrek had Inez thuis in een artikel zitten neuzen. Haar oog bleef op één woord rusten: doodgaan. Ze kreeg een beangstigend voorgevoel, noteerde in een opwelling mijn naam en telefoonnummer op een velletje. Dat had ze bij zich toen ze in bewusteloze toestand werd losgesneden. Terug in onze Haagse woning sloeg Inez het gewraakte verhaal nog eens op. Geloof het of niet: in werkelijkheid stond er doorgaan.

Zo vrijt de dood met ons. En wij met de dood. Tijdens de reizen die we maken, botsen Inez en ik telkens tegen hem op. Een man bij een Mexicaanse rivier, ogenschijnlijk van klei - verdronken, opgedregd, nog onder het slib. Mensen die naakt, in ontbinding, in de Ganges drijven. Ingevroren miljonairs op Forest Lawn bij Los Angeles. Ach, de lijst is eindeloos. Wij hebben regelmatig op kerkhoven geslapen. De eerste keer was in '54; dat jaar overnachtte ik in Stratford-upon-Avon op de borst van Shakespeare. Om te beginnen is een begraafplaats buitengewoon veilig; de laatste plaats waar je een moordenaar tegen het lijf loopt. Het is er doodstil, als de zon heeft geschenen gloeit zo'n grafsteen onder je lekker na, goedkoper kan het niet, en 's morgens heb je gegarandeerd een kraan bij de hand.

Ik denk niet dat ik ooit een toneelstuk heb gekozen waarin de dood ontbreekt. Ook De erfenis van Koltès, een hallucinerend stuk dat komende week bij De Appel in première gaat, staat stijf van de dood. Toneel is de lamp waarmee ik me een weg baan door de duisternis van het leven. Ik belicht er de essentiële vraagstukken mee, ik onderzoek, zonder de illusie dat ik antwoorden zal vinden. Sterker: antwoorden - zeker míjn antwoorden - vind ik oninteressant. En verdacht. Negen van de tien keer zijn het leugens. Kunst moet vragen oproepen, zich verre houden van de fouten die al eeuwen worden gemaakt door het onbetrouwbare duo Kerk en Staat. Ik toon raadsels, zaai twijfel, ondergraaf zekerheden. Toeschouwers moeten hun verstand verliezen - in het voetspoor van King Lear, die uiteindelijk opnieuw leerde denken als een kind.

Het christendom moraliseert en moraliseert maar. Het is zo kleinburgerlijk. Neem nou de manier waarop het hiernamaals wordt geschetst: alsof het een kokosnotenlocatie met palmbomen en een ijscoman op iedere hoek is. Mij lijkt de benadering van bijvoorbeeld hindoes veel wijzer. Ik geloof niet in goden; ik geloof wel in het belang van goden. Ze helpen ons te begrijpen. God is het machteloze reiken naar onszelf, ons ik. God, dat zijn wij: de mengelmoes van onze kwaliteiten en tekortkomingen. De Grieken hielden er dan ook een heel scala 'menselijke' goden en godinnen op na. Zij waren vriendelijk en onvriendelijk, uiterst nuchter en stomdronken, vredelievend en oorlogszuchtig. Ze hadden sympathieën en antipathieën. En sommigen neukten tegen de klippen op. Ik bedoel: ze waren van vlees en bloed. Afgezien van het feit dat een dergelijk hemels bedrijf dramatisch gezien boeiender is dan het christelijke, kun je je ermee identificeren. Spinoza heeft het fraai samengevat: 'God zit in onze vingernagel'.

Het eerste toneelstuk dat ik voor De Appel regisseerde - we hebben het over begin jaren zeventig - was geschreven door Inez. Het heette God op aarde. Kolfschoten, de toenmalige burgemeester van Den Haag, een katholiek, gold als een toneelliefhebber. Ik stuurde hem een uitnodiging. Hij liet schriftelijk weten dat-ie geen behoefte had aan zo'n voorstelling. Reden: God wás niet op aarde! Niet onvermakelijk, maar het tekent de eendimensionaliteit van het christendom. Het ontbeert fantasie.

Gisteren zei Inez tegen me: 'Jij waant je een beetje God'. Het is waar. De Egyptenaren hadden de God van de Horizon. Die ben ik. Als gerijpt kunstenaar heb ik de opdracht mensen zicht te geven op de einder. Ik blaas de wolken en nevels weg. Ik probeer iets te ontsluieren van dat grote geheim in ons bestaan. De dood.

Ik ken de kritiek dat ik teveel grote woorden gebruik, teveel grote gebaren maak. Soms ben ik inderdaad theatraal. Een collega wierp me eens voor de voeten dat ik Antonius en Cleopatra 'monumentaal' had geënsceneerd. Mag dat dan niet? Het zíjn toch geen gewone mensen? Het gáát toch niet over gewone zaken? Als ik die verwijten serieus zou nemen, zou ik mijn geest verzieken, mezelf en mijn thema geweld aandoen. In Holland heerst schaamte over uitzonderlijkheid, exuberantie. Alles moet per definitie op een postzegeltje worden gepriegeld. Heb ik geen aanleg voor. Die ruimte is echt te klein voor me. Ik zeg er eerlijk bij: dat zal ook wel wat te maken hebben met mijn oude drang tot opvallen, iets willen betekenen. Het lijkt me geen schande.

De jaren verglijden; ik word zekerder en onzekerder. Enerzijds kan, weet ik veel meer dan vroeger. Anderzijds maakt dat het kiezen moeilijker. Op mijn dertigste wist ik tot op de millimeter wat ik wou. Alleen zo-en-zo vond ik het goed. Maar die enig wáre manier was - niet toevallig - ook de enige manier waarop ik het kón. Wie niet wilde meewerken, stapte maar op. Nou is er op zich niks mis met bevlogenheid. In de kunst is het zelfs een must. 'Wee degene die aan de poort van de muze klopt om binnengelaten te worden zonder dat hij door de waanzin is bezeten', waarschuwde Plato. Je moet het alleen niet overdrijven. Dan frustreer je anderen. Tegenwoordig ben ik minder dwingend. Zeg ik regelmatig: tal van visies en varianten zijn mogelijk, maar... tsja... welke wordt het? Aftasten, heroverwegen. Pas de laatste drie weken neem ik de beslissing. Voor de acteurs is dat inspannend. Afmattend. Die worden er soms gek van. Maar het is vooruitgang. Ik beweeg, ik lééf.

De hond is dood, de poes is dood, de ezel is dood. Onze hamsters, onze ouders: dood. Alles lost op. De kinderen zijn het huis uit. Een aantal vriendschappen hebben we door het drukke werk verwaarloosd. Collega's overlijden. Naarmate Inez en ik ouder worden, groeit de eenzaamheid. Ondertussen verwelken onze lichamen. Ik kan geen hoge tonen meer horen; namen ontschieten me; de honderd meter sprint is er niet meer bij; mijn knieën kraken. De erotiek - ten diepste verzet tegen de dood, een poging hem uit te bannen - wordt steeds minder fysiek. Het seksuele transcendeert. Genot vloeit meer en meer voort uit fantasieën, taal, eten, muziek, tederheid.

Vrijwel dagelijks komt nu de vraag aan de orde hoe we straks zelf sterven. Ons huwelijk is een voorstelling van veertig, vijftig jaar - op welke wijze loopt-ie af? Inez zegt: 'We zouden er mooi samen een eind aan kunnen maken. Onder die enorme steeneik, bij ons Franse huis'. Ze vindt dat we eruit moeten stappen zodra we onze waardigheid verliezen. Ik hik daar tegenaan. Traineer. Wil de kinderen en kleinkinderen zo lang mogelijk meemaken. Ik weet nu al dat ik op het moment suprême zal worden gehinderd door mijn optimisme: wie weet richten deze verlepte bloemen zich weer op. Het kan dus heel goed zijn dat mijn onophoudelijke geflirt met de dood niks anders is dan een ordinaire uitstelmanoeuvre. Zo van: 'Wacht even, laatste minnaar. Geef me wat respijt. Ik wil je nog wat beter leren kennen.' Slimme truc, grote truc!

Eén ding zou ik ondraaglijk vinden: Inez, mijn geestelijk thuis, mijn alles, alleen te zien doodgaan. Ik kan nog geen konijn met myxomatose uit zijn lijden verlossen, laat staan mijn vrouw de definitieve klap op haar kop geven. Misschien moet ik er vast voor gaan trainen: eerst een vlo doodslaan, dan een mug, dan een muis... enzovoorts. Als ik me er dan nog niet toe in staat voel, heb ik een goede reden om te zeggen: nou goodbye cruel world, ik ga maar met haar mee.

-----------------

Erik Vos kwam na de Amsterdamse toneelschool ('52-'55) aan het hoofd te staan van de Nieuwe Komedie in Den Haag. Eind jaren zestig werkte hij als gastregisseur in o.a. Oost-Berlijn en de Verenigde Staten. Na een periode bij de Nederlandse Comedie richtte Vos in '72 met geestverwanten toneelgroep De Appel op. Hij wierp zich vooral op 'de grote Grieken', Molière, Shakespeare, Ibsen, Brecht, Kafka, Pinter en Sobol. De Appel staat voor 'Breugheliaans theater, vol emotionaliteit en lichamelijkheid'. Vorig jaar kondigde Erik Vos aan dat hij in 1997 afscheid neemt als artistiek leider.

    • Frénk van der Linden