Psychiatrie; Hysterie is uit

M.S. MICALE: Approaching hysteria. Disease and interpretations

327 blz., Princeton University Press 1995, ƒ 59,10

Hysterie is de oudste en belangrijkste neurose uit de geschiedenis. Met haar langzame dood in de loop van deze eeuw nam zij veel van haar geheimen mee het graf in. Tijdens haar lange historie is de kwaal beschouwd als satanische bezetenheid, een lichamelijke aandoening, een psychische stoornis, een vorm van maatschappijkritiek en zelfs als een totale illusie. Eigenlijk is alles wel eens beweerd over de hysterie. Dat laatste geldt nog niet voor haar historie, ondanks de recente sterk gegroeide belangstelling ervoor. Wat enige jaren geleden hoogstens een select gezelschap van medisch-historici bezighield, trekt nu de aandacht van wetenschappers uit vele disciplines. Met grote kennis van zaken biedt de Amerikaanse historicus Mark Micale een bijna encyclopedisch maar boeiend overzicht van honderd jaar onderzoek naar de geschiedenis van de hysterie.

Twijfel

Volgens Micale heeft de recente aandacht geleid tot een aanzienlijke bijstelling van de traditionele medische geschiedschrijving van de hysterie. Allereerst ontstond twijfel over haar status als ziekte. Er bestaat eigenlijk niet zoiets als 'de' hysterie. In feite is vrijwel iedere aandoening ooit wel een keer beschouwd als een vorm van hysterie. Dat hoeft ook niet te verbazen, want één van haar kenmerken is dat zij tal van kwalen nauwkeurig kan nabootsen. Het grote aantal symptomen bleek bovendien sterk aan verandering onderhevig. In verschillende tijdvakken waren uiteenlopende symptomen dominant. Waar historici voorheen vermoedden dat de kern van de hysterie door alle tijden heen dezelfde is gebleven, blijken de symptomatologische verschillen minstens even opvallend als de overeenkomsten. Micale signaleert dat de ontstane twijfel over de status gepaard ging met groeiende scepsis over de historische verankering van het syndroom. Ofschoon talloze malen in de literatuur herhaald, is Hippocrates niet de vader, ontdekker of uitvinder van de Westerse hysterie. Feitelijk ontbrak honderden jaren een samenhangende beschrijving. Behalve voor Hippocrates bepleit Micale ook voor Sigmund Freud een minder prominente plaats in de geschiedenis van de hysterie. Omdat zijn bedrage op dit terrein door historici bepaald niet is onderschat, zijn andere ontwikkelingen lange tijd verwaarloosd. In de traditionele geschiedschrijving werden theorieën beoordeeld al naar gelang zij anticipeerden op dan wel afweken van Freuds psychoanalyse. Eeuwenlang denken over hysterie was echter niet louter het voorspel op een ontknoping in de vorm van de psychoanalyse. Michaele maakt duidelijk dat er andere perspectieven mogelijk en wenselijk zijn.

Zo kwam er volgens Micale in het moderne onderzoek aandacht voor niet-wetenschappelijke factoren. Met name vanuit feministische hoek werd het ogenschijnlijk objectieve karakter van de talloze medische theorieën over de hysterie uit het verleden stevig ter discussie gesteld. Hysterie was niet louter een ziekte, maar had een specifieke maatschappelijke functie. Het stelde vooral machteloze Victoriaanse vrouwen in staat te ontkomen aan de opgedrongen, benauwende rol van trouwe echtgenote en toegewijde moeder. Uiteindelijk kwam men zelfs uit op de vraag, wie hier nu eigenlijk ziek was: de 'hysterische' vrouwen of de mannelijke artsen met hun pathologische angst voor vrouwen? De laatste paar jaar is deze opvatting volgens Micale weer wat genuanceerd. De klachten van de Victoriaanse vrouwen hadden zeker ook te maken met teleurstelling in het huwelijk, eenzaamheid en isolatie, depressie na de dood van echtgenoot of kind of verlies van het christelijke geloof. Daarnaast leed naar alle waarschijnlijkheid een deel van deze hysterica's aan organische aandoeningen als epilepsie en syfilus. Pas in het begin van deze eeuw kreeg men immers de beschikking over de technische middelen om deze kwalen van hysterie te onderscheiden. Het uitvoerige, recente onderzoek heeft de geschiedenis van de hysterie zonder enige twijfel verrijkt. Micale maakt evenwel aannemelijk dat toch nog tal van aspecten onderbelicht zijn.

Vergeleken met de opvattingen van de medische elite zijn die van de overgrote meerderheid van gewone artsen uit het verleden nog goeddeels onbekend. Evenmin is veel bekend over de feitelijke behandelingspraktijken van hysterische patiënten. Bovendien zocht een aanzienlijk deel van de hysterische patiënten eeuwenlang hun heil helemaal niet bij medici, maar bij de katholieke zielszorg. Het bedevaartsoord in Lourdes typeert Micale als een massale therapeutische gemeenschap, die door historisch onderzoek naar de negentiende eeuwse hysterie ten onrechte wordt verwaarloosd. Ook komt de rol van de zieke er in het bestaande onderzoek volgens de auteur nog steeds bekaaid af, terwijl juist de hysterische patiënt vermoedelijk steeds een actief en creatief aandeel heeft gehad in de vorming van de psychiatrische theorieën. Verder gaat de belangstelling nog altijd sterk uit naar de late negentiende eeuw en dan vooral naar de hysterica uit de haute bourgeoisie. De hysterie in andere tijdvakken, maar ook bij andere categorieën patiënten krijgt daardoor veel te weinig aandacht. Zo kwam de aandoening ook in minder welgestelde kringen en bij mannen voor.

Spanningen

Tenslotte constateert Micale terecht dat er nog te weinig onderzoek is verricht naar de hysterie in onze eeuw. Er ontbreekt naar zijn inzicht vooral een goede verklaring voor de verdwijning van de hysterie in dit tijdvak. In het algemeen wordt aangenomen dat hiervoor de teloorgang van het repressieve Victoriaanse klimaat verantwoordelijk was. Daarnaast bereikten nieuwe psychologische verklaringen van de hysterie een breder publiek, waardoor de gewenste reacties op de ziekte steeds vaker achterwege bleven. Dientengevolge zagen patiënten zich genoodzaakt spanningen op een andere wijze te verwerken. Micale vraagt zich niet alleen af of deze verklaringen afdoende zijn, maar ook òf de hysterie eigenlijk wel is verdwenen. Er is zijns inziens te weinig oog voor de mogelijkheid dat de hysterie als medische diagnose weliswaar verdween, maar de ziekte onder andere benamingen bleef voortbestaan. De vermeende verdwijning kon met andere woorden wel eens een proces van herdefiniëring zijn. Daar is zeker iets voor te zeggen. De term hysterie is weliswaar uit de meeste psychiatrische handboeken goeddeels verdwenen, maar delen ervan hebben zich onder andere namen gehandhaafd. Hedendaagse aandoeningen zoals de somatisatiestoornis en de theatrale persoonlijkheidsstoornis heetten honderd jaar geleden nog gewoon hysterie.

Aids

Maar waarom trekt een stoornis die binnen de psychiatrie geen rol van betekenis meer speelt de laatste jaren zoveel belangstelling? Volgens Micale is de verdwijning van de hysterie als medische diagnose medeverantwoordelijk voor de huidige aandacht voor de hysterie. Toen artsen het begrip nog dagelijks gebruikten, diende de geschiedenis van hysterie louter ter illustratie of legitimering van hun opvattingen. Pas toen de kwaal voorgoed tot het verleden behoorde, kon haar geschiedenis vruchtbaar bestudeerd worden. Een andere factor is volgens Micale de vrouwenemancipatie uit de afgelopen decennia. Het was vooral feministisch onderzoek dat de sociaal-culturele betekenis van de hysterie blootlegde en de historische verhouding tussen geneeskunde en hysterie in een ander perspectief plaatste. Aanzienlijk speculatiever is Micale's veronderstelling dat de grote interesse te maken heeft met de AIDS-epidemie. Terwijl iedereen dacht dat dodelijke infectieziektes voorgoed tot het verleden behoorden, werd men plotseling geconfronteerd met een nieuwe epidemie. De historicus veronderstelt dat deze traumatiserende ervaring de fascinatie voor de geschiedenis van ziektes heeft doen herleven. Door bestudering van het verleden van de hysterie zou men de bedreigende AIDS-epidemie intellectueel willen beheersen. Hier lijkt echter vooral de amateurpsycholoog te spreken. Waarom men voor dat doel bijvoorbeeld juist de uitgestorven hysterie heeft gekozen is mij een raadsel.

Zijn vierde verklaring voor de hedendaagse belangstelling voor de hysterie is overtuigender. Micale wijst erop dat in de laatste decennia vooral onder vrouwen verschillende stoornissen epidemische vormen aannemen. Het gaat hier om 'nieuwe' kwalen als anorexia en bulimia nervosa, de meervoudige persoonlijkheidsstoornis en de chronische vermoeidheidsziekte ME. Onderzoek naar de geschiedenis van een historische pendant van deze aandoeningen - de hysterie - is volgens de auteur een van de manieren om uiteindelijk zicht op ons eigen functioneren te krijgen. Dat lijkt verregaand gepsychologiseer. Wie zich echter realiseert dat tegenwoordig een groot deel van de klachten in een huisartsenpraktijk van psychosomatische aard is en Jomanda's Lourdes in de Betuwe grote populariteit geniet, moet toegeven dat Micale het ook in dit opzicht bij het rechte eind heeft.