Opgehangen

GUUS VAN BLADEL: Tussenstop Singapore. De zaak Johannes van Damme

224 blz., Bzztôh 1995, ƒ 29,50

Hij was de eerste Europeaan die in Singapore ter dood werd gebracht: de 59-jarige ingenieur Johannes van Damme. Op 23 september vorig jaar werd hij een uur voor zonsopgang in de Changi-gevangenis in Singapore opgehangen. In november 1993 was hij in hoger beroep ter dood veroordeeld wegens het smokkelen van 4,3 kilo heroïne. In Singapore is het in bezit hebben van 15 gram heroïne al genoeg voor de strop. Van Damme werd eind september 1991 op het vliegveld in Singapore gearresteerd - hij zou de bezitter zijn van een koffer waarin zich de heroïne bevond. Hij had hem voor een Nigeriaanse vriend in Bangkok opgehaald en zou hem via Singapore naar Athene brengen. Ruim een jaar na zijn arrestatie maakte hij kennis met Guus van Bladel, sociaal raadsman en in Singapore werkzaam als reclasseringsambtenaar. Van Bladel heeft Van Damme tot het moment van diens dood wekelijks bezocht. Zijn geboekstaafde bevindingen vormen een boeiend relaas.

Tijdens een van zijn eerste bezoeken aan de gevangenis in Singapore zit hij tegenover een, dan nog, optimistische Van Damme: “Ik reken niet op het ergste en ik denk ook niet dat het dat zal worden. Als ik twintig jaar krijg, moet ik nog dertien jaar en vier maanden hier zitten. Ik houd dat heel precies bij. Als ik geluk heb krijg ik tien jaar, misschien ietsje meer.” Van Bladel probeert zijn gesprekspartner voorzichtig aan zijn verstand te brengen dat zijn zaak niet zomaar een zaak is maar een 'capital case'. En als de openbare aanklager wint moet de rechter de doodstraf uitspreken. “Alle kleur verdween uit zijn gezicht, hij keek strak voor zich uit, friemelde met zijn rechterhand aan de handboei van zijn linkerhand maar hij zei niks.” Na een aantal bezoeken noteert Van Bladel: “Hoe meer ik met Van Damme spreek, hoe minder ik van hem begrijp.” De ene keer zit hij tegenover een depressieve man, de andere keer is Van Damme onbegrijpelijk optimistisch: “Ze doen me niks, ik kom in april vrij”, zegt hij bijvoorbeeld op 22 januari 1993. Na een paar maanden spreekt Van Bladel met zichzelf af dat hij geen pogingen zal doen Van Damme te doorgronden en dat Van Damme zelf mag uitmaken hoe hij over zijn zaak denkt.

Die weet niet wat hij hoort wanneer op 26 april 1993 het doodvonnis wordt uitgesproken. Kort voor de rechter het vonnis uitsprak had hij nog tegen Van Bladel gezegd: “Nog effe, en dan is het gebeurd, is alles eindelijk over.” In plaats daarvan wordt Van Damme overgebracht naar de dodencel in de Changi-gevangenis. Hij slaapt op de grond, want er staat geen bed in zijn cel. Hij krijgt last van black-outs maar de gevangenisarts is er snel bij om hem te onderzoeken. “Er was dus kennelijk een 'bezorgde' staf, ook in de afdeling met de dodencellen. Of misschien juist in die dodencellen-afdeling om niemand door een vroegtijdige dood aan de beul te laten ontsnappen”, aldus Van Bladel.

Intussen groeit bij Van Damme het geloof in zijn onschuld en Van Bladel, zijn eerdere aantekening indachtig, doet geen poging met hem daarover in debat te gaan. Hij houdt zich ook op de vlakte wanneer Van Damme hem vertelt dat er geruchten gaan dat voor zijn hoger-beroepszaak vier dagen zullen worden uitgetrokken “Het betekent (...) dat ik een geheel nieuw proces ga krijgen met drie rechters in plaats van één, zoals bij het eerste proces. Een heel nieuw proces, dat is nog nooit in Singapore vertoond. Deze keer word ik vrijgesproken.” Een sprakeloze Van Bladel weet wel beter: in die vier dagen worden meer zaken behandeld, de zaak-Van Damme is er een van. Het doet bijna bizar aan hoe hevig Van Damme in zijn onschuld blijft geloven. Hij wil, zegt hij, na zijn vrijspraak meteen naar Nederland vliegen, daar op adem komen en een baan vinden.

Van Bladel beschrijft bijna beeldend hoe hij Van Damme eenmaal het zwijgen oplegt. Je ziet hem bij wijze van spreken woedend tegenover hem staan: “En nu ben je stil en luister je even naar mij! Als je het hoger beroep verliest (...), ga je regelrecht terug naar de dodencel in Changi.” Het hoger beroep diende op 23 november 1993 - de zaak nam twee uur in beslag. De uitspraak trof Van Damme als een mokerslag. Acties, onder andere van Amnesty International, om de voltrekking van het doodvonnis te voorkomen, hadden geen resultaat. Hetzelfde gold voor het gratieverzoek van koningin Beatrix. De avond voor zijn dood schreef Van Damme in zijn dagboek: “God zal al diegenen straffen die verantwoordelijk zijn voor mijn dood. Ik ben onschuldig en heb met dit niks te doen.”

    • Anneke Visser