Niemand komt onbeschadigd uit het IRT-moeras

Het wachten is op de “grote klap”, zoals het in kringen van korpsbeheerders wordt genoemd. Nu deze week het vertrek bekend werd van de Amsterdamse procureur-generaal R. van Randwijck is de opening gemaakt om binnenkort bij andere leidinggevende functionarissen in het ressort Amsterdam op de deur te kloppen. Dan kan alsnog worden bewerkstelligd wat talloze onderzoeken en eindeloze bestuurlijke inspanningen de jongste twee jaar niet voor elkaar hebben gebracht: een einde maken aan de verlammende loopgravenoorlog tussen politie- en justitiefunctionarissen in het ressort Amsterdam. De oplossing is simpel. Vrijwel alle leidinggevende betrokkenen moeten vertrekken - met of zonder gouden handdruk.

Dat enkele onhandige enquêtecommissieleden hierover deze week opvattingen ventileerden legt niet veel gewicht in de schaal. Tweede-Kamerleden hebben immers weinig invloed op het personeelsbeleid bij justitie en politie. Belangrijker zijn dan ook de bewegingen onder korpsbeheerders (burgemeesters) en op de twee departementen die er in Den Haag over gaan: Binnenlandse Zaken over de politie, Justitie over het openbaar ministerie.

De waarnemend voorzitter van het beraad van korpsbeheerders, de burgemeester van Groningen H. Ouwerkerk, liet deze week na het vertrek van Van Randwijck merken hoe er in zijn kring over de aanhoudende vetes in Noord-Holland en Utrecht wordt gedacht. “Het is duidelijk dat een deel van de problemen wordt veroorzaakt door personen die niet met elkaar kunnen samenwerken”, zegt hij. “Je komt er dus niet alleen met nieuwe regels voor het opsporingswerk. Daarom vind ik, als de aanbevelingen van de commissie-Van Traa verschenen zijn, dat je toch eens moet kijken of je de mensen in die posities kunt handhaven.” Namen wilde Ouwerkerk niet noemen. “Ik heb daar wel opvattingen over, maar die ventileer ik niet.”

Ook binnen de ambtelijke top van het ministerie van binnenlandse zaken begint het scenario zich uit te kristalliseren. Het mooiste zou zijn, zo klinkt het daar, als na het werk van de commissie-Van Traa “zo veel mogelijk mensen in het ressort Amsterdam met een schone lei kunnen beginnen”. Minister en vice-premier H. Dijkstal voelt volgens zijn topambtenaren steeds meer voor de opvatting die Ouwerkerk openlijk ventileerde. De verhoren illustreren het nagenoeg iedere dag. Zo vertelde de Haagse korpschef J. Brand, voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen, dat de verzamelde politiechefs nooit aan een bespreking van het rapport van de commissie-Wierenga zijn toegekomen omdat hun Amsterdamse collega Nordholt daarvoor niet voelde. “Als we niet ingrijpen is dit Griekse drama over twee jaar nòg niet voorbij”, aldus een topambtenaar van Binnenlandse Zaken.

Maar ingrijpen heeft ook zijn keerzijden, zo merkte minister van justitie Sorgdrager deze week. De 'gouden handdruk' voor Van Randwijck werd een zelfstandige kwestie. Intussen blijkt dag na dag dat de bewindsvrouw ook kan uitzien naar een lastig verhoor bij de commissie-Van Traa. De kleine kwesties over haar optreden stapelen zich op: de commissie suggereert in haar verhoren voortdurend dat ze de Kamer vorig jaar onjuist heeft ingelicht over een doorlevering van XTC naar Engeland; ze blijkt te hebben ingestemd met de betaling van 2 miljoen aan een IRT-informant die eerder riante criminele winsten boekte; ze is vorig jaar pal na haar optreden op de hoogte gesteld van een doorlevering van 9.000 kilo softdrugs terwijl ze dit jaar zo'n doorlevering tweemaal verbood.

Het lijkt er soms op dat het IRT-moeras niemand in staat stelt onbeschadigd het eind te halen. Gisteren werd een nieuwe slag uitgedeeld, nu aan hoofdofficier van justitie J. Vrakking van Amsterdam. Deze functionaris, die mede de aanzet gaf tot de ontbinding van het IRT Noord-Holland/ Utrecht wegens “onaanvaarbare” drugsdoorleveringen, hield twee weken geleden de enquêtecommissie nog voor dat in zijn arrondissement alleen “schoon rechercheren” is toegestaan. Diepte-infiltraties komen bij hem niet voor, zei hij de commissie. De aanwending van crimineel geld voor de opsporing is taboe, net als burger-infiltratie en het door de politie sturen van informanten, zo was het gloedvolle betoog van Vrakking.

Vrijdag verschenen drie van zijn officieren van justitie die van andere opvattingen en praktijken vertelden. Zijn voormalig CID-officier van justitie J. Valente moest toegeven dat hij eerder dit jaar in eerste aanleg instemde met een diepte-infiltratie om drugstransporten te onderscheppen. En het werd erger. Want ook bleek hij te hebben goedgekeurd dat de huur van een loods werd gefinancierd met crimineel geld. Valente hield daarop een lang exposé over het feit dat hij door CID-chef Van der Putten slecht geïnformeerd was. Van der Putten weersprak dat, wat dat betreft bleef het gevecht tussen de twee steken bij een gelijkspel, en intussen bleek uit de vragen dat de commissie sterk de indruk heeft dat Valente in feite had ingestemd met een door Vrakking zo verfoeid 'gesloten CID-traject', waarbij het CID-werk niet ter toetsing aan de rechter wordt voorgelegd.

Ook de officieren R. Craemer en J. Wortel vielen Vrakking impliciet af. “Er mogen wel dingen, als we het maar weten”, zei Craemer over de aanwending van crimineel geld bij de opsporing. En Wortel hield een lang en gedetailleerd pleidooi vòòr de doorlevering van softdrugs. De vermaledijde Van der Putten beklaagde zich vrijdagochtend dat het Amsterdamse OM een “meerstromenbeleid” voert. Aan het einde van de dag was duidelijk dat zijn opvatting de waarheid verrassend dicht nadert. Het maakte nog maar eens duidelijk dat het IRT-moeras vooral een zaak van persoonlijke animositeiten is, en minder van inhoudelijke meningsverschillen.

    • Marcel Haenen
    • Tom-Jan Meeus