Nederlandse bankiers gaan uit van euro-munt in 1999

De gemeenschappelijke Europese munt komt er, en Nederland moet oppassen niet als spelbreker te fungeren. De Nederlandse politieke elite is er nog onvoldoende van doorgedrongen dat de omvang van de staatsschuld nog een groot struikelblok is. Dat is de mening van Nederlandse topbankiers en van hoge ambtenaren die nauw betrokken zijn bij de voorbereidingen voor de voltooiing van de Economische en Monetaire Unie (EMU).

Het is heel simpel”, zegt Cees Maas, “de economische en geo-politieke afwegingen wijzen in de richting van de voltooiing van de EMU. De kans dat de gemeenschappelijke Europese munt er in 1999 komt, schat ik op 90 procent.” Maas, lid van de raad van bestuur van Internationale Nederlanden Groep (ING), was als thesaurier-generaal op het ministerie van financiën nauw betrokken bij de onderhandelingen over de EMU en de opstelling van het verdrag van Maastricht in december 1991. Zijn opvatting wordt gedeeld door Jan Kalff, bestuursvoorzitter van ABN Amro. “De EMU gaat gebeuren”, aldus Kalff, “al heb ik nu wat meer aarzelingen dan een jaar geleden. Het momentum in Europa voor de EMU stottert. Er zijn wat meer aarzelaars en de politieke onzekerheid is toegenomen.”

Ondanks die onzekerheid gelooft ook Alexandre Lamfalussy, de president van het Europese Monetaire Instituut (EMI), de voorloper van de Europese centrale bank,dat de gemeenschappelijke Europese munt er zal komen. En: “1999 is nog altijd een realistische datum.”

Maar het zal er om spannen. De afgelopen maand heeft een voorproefje gegeven van de obstakels die zich in de laatste etappe naar de monetaire eenwording in Europa kunnen voordoen. Openlijke ruzies tussen landen, terechtwijzingen en gekwetste nationale gevoelens. Nerveuze bewegingen op de valutamarkten. En ingrepen in de overheidsfinanciën of de uitgaven voor de sociale zekerheid met het oog op het ijkjaar 1997. De EMU-criteria (omvang staatsschuld, begrotingstekort, inflatie) oefenen een enorme druk uit op regeringen om de overheidsfinanciën tijdig op orde te brengen.

Op grond van de dan bekende laatste economische en monetaire gegevens zal de Europese raad van regeringsleiders over ruim twee jaar vaststellen welke EU-lidstaten wél en welke niet aan de criteria voor deelname aan de gemeenschappelijke munt voldoen. Anders gezegd: dan wordt bepaald welke EU-landen hun wisselkoersen onlosmakelijk aan elkaar koppelen, hun valutareserves bundelen en hun nationale monetaire beleid overdragen aan de Europese centrale bank. De introductie van de bankbiljetten en munten van de euro zal uiterlijk drie jaar later volgen.

Voor het zover is moeten technische, politieke en financieel-economische hordes worden genomen. Praktische problemen, zoals het ontwerp van de nieuwe bankbiljetten en de aanpassing van geldautomaten, maar ook kwesties zoals de vraag hoe de monetaire betrekkingen geregeld zullen worden tussen de EU-lidstaten die wél en die niet meedoen in de (volledige) monetaire unie. De kerngroep van EMU-landen moet zich bovendien bezighouden met de vraag of het verdrag van Maastricht na 1999 voldoende mogelijkheden biedt voor de onderlinge afstemming van hun begrotingsbeleid en voor sancties tegen landen die zich niet aan de regels houden.

In de aanloop naar 1997 gaat het om de vraag welke EU-landen aan de monetaire eenwording zullen deelnemen. “Frankrijk is cruciaal”, zegt de thesaurier-generaal van het ministerie van financiën, Henk Brouwer. “Als het in Frankrijk niet goed gaat, is dat killing voor de EMU. Zonder Frankrijk is de politieke zin van een monetaire unie verdwenen.” Volgens Brouwer is het strikt economisch voor Frankrijk heel goed mogelijk om aan de vereisten van het verdrag van Maastricht te voldoen. Het moet zijn financieringstekort in twee jaar tijd met anderhalf procentpunt verlagen tot drie procent in 1997. Dat is econoimisch niet moeilijk, maar het probleem is van politieke aard: de Franse regering moet bezuinigen op de sociale zekerheid. Met een populistische president die tegenstrijdige economische beloftes heeft gedaan, is dat allerminst zeker.

Politieke en sociale spanningen dragen zelden bij aan monetaire stabiliteit. In Frankrijk spelen politieke schandalen en zijn de vakbonden begin oktober de straat opgegaan om te tonen dat ze nog altijd een formidabele macht vertegenwoordigen. Even kwam er neerwaartse beweging in de koers van de Franse franc en er gingen geruchten dat grote speculanten een kans roken om de franc onderuit te halen. Maar de franc hield stand, mede omdat de Banque de France snel en doeltreffend ingreep. “Met de huidige politieke en sociale onrust zou de franc een jaar of vier geleden zijn weggevaagd”, zegt Nout Wellink, directeur van De Nederlandsche Bank. Hij is vol lof over het beleid van de Franse centrale bank, die gebruik maakt van zijn nieuw verworven onafhankelijkheid.

De president van de Banque de France, Jean-Claude Trichet, is een groot voorstander van de franc fort. Anders dan in 1993, toen in Frankrijk de politieke stemming overheerste dat de rente omlaag moest en de franc vervolgens werd weggespeculeerd, verhoogde Trichet begin oktober onmiddellijk de korte rente zodat speculanten afgestraft werden. Het gemak waarmee de franc stand hield, weerspiegelt ook de onderliggende kracht van de Franse economie: de inflatie is laag, de groei trekt aan en het overschot op de betalingsbalans bereikt dit jaar een record.

“Het Franse monetaire beleid is op stabiliteit gericht”, stelt de president van de Duitse Bundesbank, Hans Tietmeyer, vast. Zolang de Franse regering het beleid van een lager financieringstekort doorzet, ziet hij geen problemen voor de franc opdoemen. Het is een subtiele manier om Frankrijk onder druk te houden: àls de regering doet wat ze belooft, kan Frankrijk zijn diep gekoesterde wens om een greep te krijgen op de Bundesbank, tegen het einde van de eeuw in vervulling zien gaan.

Volgens de Nederlandse bankiers zal Frankrijk om politieke redenen alles in het werk stellen om de monetaire unie te laten slagen. “Frankrijk zal alles op alles zetten om mee te kunnen doen en zijn politieke rol in Europa te behouden”, meent Kalff van ABN Amro. “Frankrijk wil het beter doen dan Groot-Brittannië en Italië”, verwacht hij. ING-bestuurder Maas wijst op de constante geo-politieke lijn in het Franse Europabeleid. “Frankrijk wil een eigen rol in Europa en een eigen rol voor Europa in de wereld”, zegt hij. “Daarom blijft Frankrijk zeer gebaat bij een bondgenootschap met Duitsland. Frankrijk zal de monetaire en politieke integratie met Duitsland blijven nastreven”.

De flirt van president Chirac met het isolationisme, zoals met de Franse kernproeven, is niet vol te houden, meent Maas. Voor de beaujolais primeur, die de derde donderdag van november in de verkoop komt, wordt nog niet vrolijk geadverteerd, zo is hem opgevallen. Dat raakt de Franse belangen en het toont dat Frankrijk het zich niet kan permitteren zich niets van de stemming in andere landen aan te trekken.

Aan de Duitse kant van de Rijn ziet Maas evenmin een verandering in het geo-politieke belang van Europese integratie. Na de vereniging is een Duitse Alleingang voor andere landen al helemaal niet aanvaardbaar en voor Duitsland zelf wellicht gevaarlijk. De inbedding van de economische macht van Duitsland in de politieke macht van Europa blijft de hoeksteen van het beleid van bondskanselier Kohl. Uitstel van het besluit over de EMU tot na de Duitse verkiezingen van 1998 zou daarom heel onverstandig zijn, meent Maas.

Doorgaan, dus, en dat brengt de discussie weer terug bij de criteria voor deelname aan de EMU. Hoewel de Italiaanse premier Lamberto Dini onlangs pleitte voor versoepeling door niet vast te houden aan 1999 als invoeringsjaar zodat zwakke landen meer tijd krijgen om aan te haken, houden de financiële en monetaire autoriteiten vast aan een een strikte interpretatie van het verdrag van Maastricht. En dan wordt het nog lastig. Niet alleen voor Frankrijk of België, maar ook voor Nederland.

Twee grote landen, Duitsland en Groot-Brittannië, willen op geen enkele manier het risico lopen dat ze niet aan de criteria voldoen. De Duitsers hebben, ondanks de uitgaven voor de Duitse vereniging, hun overheidsfinanciën op orde gebracht. Duitsland slaagt er in om zijn staatsschuld ònder de EMU-norm van zestig procent te houden en om de overheidsuitgaven als percentage van de economie in het jaar 2000 te hebben teruggedrongen tot het niveau van vòòr de eenwording. “Dat is een fabelachtige prestatie”, erkent Wellink, de directeur van De Nederlandsche Bank.

Opmerkelijk is dat ook de Britten hard op weg zijn te voldoen aan de EMU-criteria, terwijl ze in Maastricht een ontsnappingsregeling hebben bedongen om niet te hoeven deelnemen aan de gemeenschappelijke munt. Volgens thesaurier-generaal Brouwer is dit te danken aan de inspanningen van de Britse minister van financiën Kenneth Clarke. Terwijl de Tories hopeloos verdeeld blijven over Europa en een gemeenschappelijke munt, effent Clarke in stilte de weg voor mogelijke toetreding van Groot-Brittannië tot de EMU - bijvoorbeeld als labour zou winnen bij de parlementsverkiezingen van 1997. Overigens verwacht niemand dat Groot-Brittannië werkelijk tot de eerste groep EMU-landen zal behoren. De bevolking is daar niet rijp voor en de institutionele voorbereidingen, zoals een onafhankelijke Bank of England, zijn onvoldoende gevorderd.

En Nederland? Nederland moet uitkijken. Zowel Maas als zijn voorganger als thesaurier-generaal, de tegenwoordige Robeco-bestuurder Piet Korteweg, zijn van mening dat de omvang van de Nederlandse staatsschuld een politiek onderschat obstakel is voor Nederlandse deelname aan de monetaire unie. “Het is een veel groter probleem dan men in Den Haag denkt”, zegt Maas. Sinds 1991 is de staatsschuldquote (de staatsschuld als percentage van het bruto nationale produkt) in Nederland zelfs nog iets gestegen, terwijl de recente daling nog slechts in tienden van procenten wordt gemeten.

Maas vergelijkt dit met Ierland, waar de staatsschuldquote jaarlijks met vier à vijf procentpunten daalt. Ierland voldoet daarmee aan de letter van het verdrag van Maastricht waarin staat dat de staatsschuld “in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo nadert”. De Nederlandse prestatie op dit punt valt slechts met een uitzonderlijk soepele interpretatie van het verdrag te rechtvaardigen. Nederland is trouwens tegenstander van een soepele interpretatie van de criteria.

“We wisten van het begin af aan dat dit ons boven het hoofd hing”, zegt Maas, “maar we hebben onze ogen ervoor gesloten. De vermindering van het financieringstekort is te traag geweest.” Anderzijds: een EMU zònder Nederland als een van de kleinere landen tussen Duitsland en Frankrijk is moeilijk voorstelbaar, meent Maas. Het zou de positie van de gulden en de politieke positie van Nederland danig aantasten als Nederland de 'blokkerende factor' zou zijn in 1997. Volgens Maas is de Nederlandse positie geloofwaardig als in 1997 de staatsschuldquote van de huidige 78 naar ongeveer 74 procent zakt. Maas: “Dan is het proces van daling duidelijk in gang gezet.”

Ook Wellink van De Nederlandsche Bank is van mening dat het kabinet de komende twee jaar in de policy mix tussen lastenverlichting en vermindering van het financieringstekort met het oog op 'Maastricht' alle nadruk op het laatste moet leggen. Met nadruk wijst hij er op dat de norm voor het financieringstekort van drie procent in het verdrag van Maastricht een maximum is - en geen gemiddelde. In een jaar met een gunstige economische conjunctuur dient het tekort beduidend lager te liggen.

Evenals de Duitsers is Wellink van mening dat het verdrag tekort schiet ten aanzien van de garanties dat landen zich ná de invoering van de EMU in 1999 aan de normen voor de overheidsfinanciën houden. “Het is niet nodig om het verdrag open te breken”, zegt hij, “maar wel om onderlinge afspraken te maken dat je je aan de regels houdt en dat je de procedures voor sancties zult versnellen.” Het probleem, aldus Wellink, is dat “de weg naar bijtende sancties” in het verdrag van Maastricht te lang is.

Op termijn is het bovendien onontkoombaar dat de landen die deelnemen aan de gemeenschappelijke munt afspraken maken over de coördinatie van hun begrotingsbeleid. Zoals baron Lamfalussy, de president van het EMI, zegt: “Landen die aan de monetaire unie deelnemen, moeten hun begrotingsbeleid op elkaar afstemmen. Anders leggen ze een te zware last op het monetaire beleid van de Europese centrale bank. We hebben een terughoudend begrotingsbeleid nodig als de EMU eenmaal van start is gegaan. Daar zijn nadere afspraken tussen de deelnemende landen voor nodig.”

Zo zal de EMU niet alleen in de aanloopfase, maar ook in de jaren daarna in de deelnemende landen discipline op begrotingsgebied blijven afdwingen. Dat heeft consequenties waarvan de politieke betekenis nog nauwelijks is doordacht.