'Ik ben altijd op zoek naar dat ene grapje'

Maartje van Weegen (Bussum, 1950) is presentator/redacteur van het actualiteitenprogramma NOVA en Buitenhof.

“In 1984 kon niemand zich voorstellen dat er ook maar iemand om half zes naar het nieuws zou kijken. Een journaal op dat tijdstip, dat was toch idioot... Maar ik werd hèt gezicht van het half zes journaal. Toen mijn vader in het ziekenhuis lag en ik op zondagochtend het Capitool presenteerde, zeiden twee oude dames op zijn afdeling: 'He, het is toch nog geen half zes?'.

Mijn manier van presenteren is altijd hetzelfde gebleven. In Nova hebben we nuweliswaar de dubbelpresentatie, maar daar houden we ook weer mee op. Het werkt niet. Je zou samen sterker kunnen zijn. Als de een er voor de serieuze informatie zit, en de ander de gevoelsmens uithangt. Maar dan moet je het wel kunnen verdragen als de ander leuker of slimmer is. Dat kunnen veel mensen in dit vak niet. In december krijgen we ook een nieuw decor. Met virtual reality. Het moet allemaal dynamischer, levendiger, meer van deze tijd. Als er dan bijvoorbeeld een grote demonstratie is, kan de techniek het zo doen lijken alsof ik tussen de demonstranten loop. Nou ja, het wordt vast prachtig.

Ik ben iemand van korte, duidelijke zinnen. Ik wil me niet verschuilen achter ingewikkeld taalgebruik. Maar ik wil ook weer niet de schooljuffrouw spelen. Mijn teksten schrijf ik vantevoren helemaal uit. Ook grapjes. Daar is met de redactie dan vaak eindeloos over gesproken. Zo van: 'Is dat nou leuk of niet? Ach, misschien toch best aardig, wel een beetje tongue-in-cheek.' Maar er is natuurlijk altijd wel weer een of andere columnist die het vervelend vindt.

Die kritiek. Dat blijft niet leuk. Ze maken je soms echt af. Bijvoorbeeld die keer dat ik in Indonesië was voor het staatsbezoek van Beatrix. Ik interviewde de oud-minister van buitenlandse zaken Subandrio die bijna dertig jaar lang gevangen had gezeten. Die man was bijna stokdoof. Ik moest dus heel dicht bij hem zitten en heel nadrukkelijk praten. Dat hadden ze in Hilversum verzuimd er bij te vertellen. Dan ben jij de volgende dag in de kranten wel opeens die dame die een oude man behandelt als een hulpbehoevende demente bejaarde. Dat blijft zeuren. Het lukt me niet om dat als een natte pels van me af te schudden. Dan weer ben ik te uitbundig, dan weer te vriendelijk, dan weer te emotioneel. En als iemand zich eenmaal aan mij stoort, is dat behoorlijk vervelend. Ik ben er nogal vaak.

Ik raak nooit in paniek als er iets fout gaat. Als de correspondent in Washington me niet kan horen - ach, dat vinden de kijkers ook leuk. Het moet alleen niet lachwekkend worden. Ik herinner me een uitzending toen de Roemeense president Ceausescu was gevlucht. Dat werd echt een karikatuur van een serieus informatief programma. De ondertiteling liep niet, de microfoon stond niet open, de telefoonverbinding met Roemenië kwam tot twee keer toe niet tot stand, de verkeerde film werd gestart. Gewoon niet leuk meer. Alle woorden en oplossingen waren al lang op. Ook de regie en de techniek vinden zoiets vreselijk, maar ik zit daar dan. Ik wil graag alles kunnen beheersen.

Soms wil een gesprek gewoon niet. Daar word ik zenuwachtig van. In het voorgesprek kunnen je gasten dan nog zulke leuke en interessante uitspraken hebben gedaan, je krijgt het er niet meer uit. Als het programma eenmaal loopt, bedenkt zo'n gast opeens dat wat hij wilde zeggen misschien toch niet zo genuanceerd is. In de uitzending kan ik dan niet zeggen: Waar blijf je nou? Ik ben dan blijkbaar niet in staat om het eruit te halen. Nou, jammer. Je hebt weliswaar veel macht als je daar zit. Jij zit in een vertrouwde omgeving, het is live en gezegd is gezegd. Maar als je die macht misbruikt dan komt zo'n man een volgende keer niet meer. Dan kun je je niet veroorloven.

'Kun jij de minister niet trainen?' Het wordt me geregeld gevraagd. Maar ik vind niet dat je dat kunt doen. Ik doe ook geen symposia en ben nooit ergens dagvoorzitter. Ik wil onbevangen en onafhankelijk kunnen werken en wil in een uitzending niet denken: 'Hij heeft mij betaald dus moet ik anders met hem omgaan'. Dat journalisten als Paul Witteman en Charles Groenhuizen dat allemaal wel doen, dat moeten zij weten.

Eerlijk gezegd merk ik met de interviews in Nova ook weinig van al die mediatrainingen. Een interview blijft altijd persoonsgebonden. Als we een gast hebben met lang haar en oorbel, dan weet je: iedereen gaat nu praten over dat lange haar en die oorbel. Daar kan geen mediatraining iets aan veranderen. Misschien dat politici het idee hebben dat ze door zo'n training beter de bal aan de voet hebben, maar vaak is het tegendeel waar: Ze geven gewoon geen antwoord op een vraag. Als ik merk dat iemand handige foefjes uithaalt om niet te hoeven antwoorden, dan onderbreek ik hem onmiddellijk. Zeggen ze thuis wel weer: 'Onderbreek die man toch niet de hele tijd!'

Ik ben altijd op zoek naar dat ene moment. Dat ene grapje of die ene emotie. Bij grote kopstukken is dat vaak moeilijk. Die hebben altijd een heel circus om zich heen. Daar valt moeilijk doorheen te breken. Maar ik probeer het toch. Met Arafat had ik midden in de nacht een afspraak in een kasteel in Wassenaar. Zo'n man heeft maar tien minuten. Dus dat is binnenkomen, draaien en weer weg. Tien minuten is te kort om te laten zien dat je ook iemand bent - en niet een van de vijfendertig journalisten die hij de afgelopen maand tegenover zich heeft gehad. Dan probeer ik alles in de begroeting te leggen. Het is misschien ook ijdele hoop. Zo iemand zegt toch wat hij zeggen wil. Maar het is het enige moment van lijfelijk contact. Dan kan hij niet langs je heen kijken. Je hoopt dat hij je ziet, dat er iets gebeurt. Dat er een moment voor een grapje is. Pas na afloop van de opnamen denk ik aan de critici: O jee, als ze nu willen...''

    • Monique Snoeijen