Hoe de Serviërs zich van Hongaren en Kroaten ontdoen; Verstoten uit Vojvodina

In het voormalig Joegoslavië is de provincie Vojvodina een etnische lappendeken bij uitstek. Twee eeuwen leefden vierentwintig nationaliteiten er in betrekkelijke harmonie samen. Maar de Vojvodina moet Servisch worden. Met de komst van honderdduizend Krajina-Serviërs is een sluipende etnische zuivering er in een stroomversnelling geraakt. 'Rechten heb je naar gelang je getalssterkte.'

Grens of geen grens, de alföld, de Pannonische laagvlakte die even onder Boedapest begint, loopt hier, in de Vojvodina, in het noorden van Joegoslavië, gewoon door: eindeloos land, zonder heuvels, zonder beken of rivieren, zonder mensen vooral. Eindeloze lege velden met kool en mais, met hier en daar een oker geschilderde boerderij, de luiken gesloten. Een enkele poes sluipt door het veld. Hier en daar een magere geit aan een touwtje. Uitgestorven, verlaten, vlak land. Landbouwland.

Vreedzaam land, zo lijkt het. Maar schijn bedriegt: de Vojvodina is het toneel van razendsnelle en ingrijpende demografische veranderingen en een sluipende etnische zuivering. Meer dan honderdduizend Kroatische Serviërs, die twee maanden geleden na de bliksemcampagne van de Kroaten uit hun eenzijdig uitgeroepen fantoomrepubliekje in Kroatië werden verdreven en die na een barre tocht beroofd en berooid in Servië aankwamen, zijn naar het noorden gestuurd: hier, in de Vojvodina, worden ze geherhuisvest. En die herhuisvesting gaat ten koste van vooral de minderheden die al eeuwen in de Vojvodina wonen. Zij, Hongaren en Kroaten vooral, worden uit hun huizen verdreven om plaats te maken voor die thuisloze Krajina-Serviërs. Met duizenden zijn die Hongaren en Kroaten sinds augustus de noordelijke grens met Hongarije over gevlucht na met geweld uit hun woningen te zijn gezet. Daar, in Hongarije, komen de Kroaten in vluchtelingenkampen terecht en lossen de Hongaren op. Ze vestigen zich er illegaal, werken illegaal, ze laten zich zelfs niet registreren, zo heeft politiechef Gábor Barkányi ons in het Hongaarse Szeged uitgelegd, omdat ze weten dat de Hongaarse regering hen niet helpt. Het aandeel van de Hongaren in de vluchtelingenstroom uit ex-Joegoslavië is sinds augustus gestegen van dertig tot negentig procent. “Maar hier in Szeged zien we hen niet”, aldus Barkányi. En zo komt, zeggen de Hongaren in de Vojvodina verbitterd, na twee eeuwen heel stilletjes een eind aan de Hongaarse cultuur in de Vojvodina: een kwestie van simpelweg verdwijnen.

De Vojvodina is de etnische lappendeken bij uitstek in het voormalige Joegoslavië, dat aan zulke lappendekens toch waarlijk geen gebrek heeft. Hier wonen 24 nationaliteiten bij elkaar, Serviërs en Hongaren, Kroaten en Roethenen, Roemenen en Slowaken en Oekraïeners, Russen, Tsjechen, Polen en zigeuners en Bulgaren. Vijf officiële talen telt de provincie, het Servisch, het Hongaars, het Roetheens, het Slowaaks en het Roemeens. Die etnische vermenging is het resultaat van de kolonisatie van het gebied in de achttiende eeuw, toen de Habsburgse keizers dit op de Turken veroverde moerasgebied drooglegden en uit hun hele rijk kolonisten aanmoedigden zich er te vestigen. En ze kwamen, van overal, uit alle hoeken en gaten van Europa, uit Zwaben en de Palts kwamen noeste Duitsers, uit Kosovo kwamen de Serviërs na hun mislukte opstanden tegen de Turken, uit Hongarije en Galicië en Dalmatië kwamen kolonisten, zelfs uit Spanje kwamen ze om in dit vlakke landbouwland hun Nieuw Barcelona te stichten.

Intelligente Serviër

Twee eeuwen hebben al die volkeren in relatieve harmonie samengeleefd, ook nadat de Vojvodina in 1918 van Hongaarse in Joegoslavische handen overging. Men tolereerde de ander, met zijn taal, godsdienst en cultuur. Het was een harmonie die maar af en toe werd verstoord. In Tweede Wereldoorlog werden de joden weggevoerd, na 1945 werden veel Hongaren en alle Duitsers verjaagd; hun have en goed werd overgenomen door nieuwkomers uit Servië en Montenegro die door Tito werden beloond voor hun partizanenverleden. Zo kwamen de Serviërs aan de meerderheid van 57,3 procent die ze er bij de volkstelling van 1991 hadden, en werden de Hongaren, die in 1945 nog 28 procent van de bevolking vormden, met 16,9 procent en 350.000 zielen de grootste, maar per saldo nog maar een kleine minderheid.

Wat al die eeuwen bleef was die relatieve etnische tolerantie: hier waren de verschillende volkeren aan elkaar gewend, zelfs ongeletterden spraken moeiteloos drie talen en doen dat nog steeds. Men kankerde wel op elkaar, want wie - zo citeert Claudio Magris in zijn boek Donau een oude vrouw - heeft er ooit een groen paard of een intelligente Serviër gezien?, en wie van de andere volksgroepen ziet de Roemenen niet als dieven en schooiers zonder opanca's, pantoffels? Maar die rivaliteit was eerder goedmoedig dan kwaadaardig, en altijd geweldloos. En dat verandert.

Subotica was tot 1918 een Hongaarse stad: Szabadka. De Hongaarse schrijver Dezsö Kosztolányi omschrijft zijn Szabadka in zijn in 1899 spelende boek Leeuwerik als arm, grijs, stoffig, vervelend en verveeld, een 'stad ergens tussen in', niet zo bewegingsloos als de meeste Hongaarse steden, maar ook niet zo uitdagend als Boedapest. Eén geasfalteerde straat telt Subotica stad in 1899, met één plein, waaraan het stadhuis ligt, het café, de middelbare school, het restaurant Koning van Hongarije, en, aan de overkant, het theater met zijn klimrozen en de herenclub van de stad, en daarachter de kantoorboekhandel van Vajda, de drie doodskistenmakers van de stad en de lederwarenhandel van Weisz en Partner.

Het Széchenyiplein heet honderd jaar later het Vrijheidsplein. Het verraadt nog steeds de imperiale grandeur van toen. De Serviërs hebben er een standbeeld van hun tsaar Jovan Nenad neergezet maar de rest, het stadhuis met de klokketoren, het theater en de barokke bibliotheek, is Hongaars. De hoofdstraat toont oude gevels in pasteltinten, met veel beeldhouwwerk, kleurige karyatiden en geometrische motieven, veel Jugendstil, veel secessionisme.

Maar de grandeur oogt nu verwaarloosd en verlopen: Subotica is een diva op haar retour. Het stof en vuil is in de hoeken en gaten gekropen, de duivepoep ligt een decimeter hoog in de vensterbank van het theater en de winkels zijn armetierig. Subotica is, haar imperiale ambities ten spijt, hopeloos weggezakt in een uithoek van een geboycot land, het Joegoslavië van Slobodan Milosevic.

Briefjes

Het zal nog erger worden, in elk geval voor de Hongaren, zegt István Valihora, een korte, gezette Hongaar met een grijze baard en haar dat alle kanten uitstaat. Hij leidt hier, achter een verveloze deur op de hoek van het Vrijheidsplein, de Hongaarstalige krant Magyar Szó, het Hongaarse Woord. Van de 160.000 Krajina-Serviërs die in augustus naar Servië zijn gekomen zijn er 116.000 naar de Vojvodina gestuurd - waarom? Waarom naar hier en niet naar Servië of Montenegro? Valihora weet waarom: omdat de Serviërs de etnische samenstelling van de Vojvodina willen veranderen. Ze willen van de Hongaren en de Kroaten af - die twee grootste minderheden van de Vojvodina moeten weg. De Vojvodina moet Servisch worden: de Hongaren en Kroaten moeten weg. Hooguit kunnen ze proberen te redden wat er te redden valt door zich aan te passen, door af te zien van alles wat hen tot een gemeenschap maakt: hun scholen, hun media, hun recht op elk gebied in het openbare leven de eigen taal te gebruiken.

Dat proces is al sinds 1991 bezig. Vanaf toen zijn 50.000 Hongaren en 30.000 Kroaten vertrokken. Van de Kroaten zijn er nog maar 30.000 over. En dat proces, die sluipende etnische zuivering, is sinds augustus in een stroomversnelling gekomen.

Het wordt het eind van de Hongaarse cultuur hier, zegt István Valihora. “Die nieuwkomers zijn bergmensen, hun niveau is lager, ze zijn agressief en ze zijn niet gewend met andere volken samen te wonen. Ze dwingen de Hongaren in de dorpen om te vertrekken, of om hun huis te delen.” Het gebeurt met geweld, zegt hij, het gebeurt dankzij plaatselijke leden van de partij van de ultra-nationalist Vojislav Seselj - de man die ooit heeft gezegd alle Kroaten met een roestige lepel de ogen te zullen uitsteken. Zijn mensen, zegt István Valigora, gooien dit soort briefjes bij de Hongaren en Kroaten in de bus - en hij laat zo'n briefje zien, kijk maar, “Sodemieter op, vuile Hongaarse zwijnen. Je woning is van ons. Leve de koning! Vrede voor Krajina”, staat er in houterige cyrillische letters. Welke koning wordt bedoeld is niet duidelijk. In ieder geval, zegt Valihora, doen Seseljs mannen nu wat ze al in het begin van de oorlog aankondigden. “Toen zeiden ze tegen de Kroaten dat ze hen in veewagons zouden wegvoeren. En tegen ons zeiden ze dat ook Boedapest kapot kan.”

Die plaatselijke leden van Seseljs partij verwelkomen de Krajina-Servische vluchtelingen als die naar de dorpen komen, en wijzen met lijsten in de hand de huizen van Hongaren en Kroaten aan: daar kom je te wonen. “En willen die Hongaren niet vrijwillig vertrekken, dan komen ze met bijlen en slaan de deur in, of ze gooien een oude vrouw kokend water in het gezicht.” Oude mensen worden bang gemaakt, zegt Valihora, ze stemmen dan maar in met een contract om die Serviërs 'tijdelijk' in huis te nemen.

Weegschaal

De Hongaren hebben zich bij de overheid in Belgrado beklaagd, maar er is volgens Valihora niemand die luistert: het is juist de bedoeling de samenstelling van de bevolking te veranderen. Seselj behoort weliswaar tot de oppositie tegen Milosevic, maar doet gewoon het vuile werk voor hem. “Er zijn de laatste tijd al tienduizend Hongaren uit Subotica alleen vertrokken. Belgrado kondigde aan hier tweeduizend Krajina-Serviërs te willen huisvesten. Het werden er tienduizend.”

Ook de politie doet niets: die bestaat uitsluitend uit Serviërs. En Boedapest? “Boedapest doet wel wat, maar te weinig en dat weinige te laat, het protesteert bij Belgrado, maar dat helpt niet: we staan voor het blok.” István Valihora is teleurgesteld over de regering in Boedapest, dat beleid van Boedapest is laf. “De wereld zal Hongarije respecteren in de mate waarin het zijn eigen volksgenoten over de grens respecteert. Dat wordt in Boedapest vergeten.”

De sfeer in de dorpen verandert, zegt Csaba Sepsey, die Valihora's kantoortje is binnengelopen. Hij is een van de leiders van de VMDK, de Democratische Gemeenschap van Vojvodijnse Hongaren, een van de twee politieke partijen van de Hongaren hier. “In de dorpen durven de mensen niet meer te praten. Je kunt erheen gaan, naar Doroszló, naar Kupuszina, waar de Serviërs veertig Hongaarse gezinnen uit hun huizen hebben gezet, naar Svilojevo, waar de cetniks van Seselj zitten. Maar ik raad het je af. De Hongaren durven niks te zeggen en de Serviërs zullen je auto opblazen.”

Het ergste is dat die Krajina-Serviërs hier niet tijdelijk zitten, zegt Valihora. En ze gaan nooit meer weg, want Kroatië wil hen voor geen prijs terug. “Minderhedenrechten worden hier traditioneel gewogen op de weegschaal van een apotheker. Als het aandeel van de Hongaren in de bevolking daalt, heeft dat consequenties. Rechten heb je naar gelang je getalssterkte, en rechten raken we kwijt.”

Ook zijn krant kon wel eens ten onder gaan. De hoofdredacteur is al ontslagen, zegt hij. “We vechten dat wel aan. We vechten voor het oude. Als dat lukt, blijven we schrijven. Zo niet, dan zal de krant veranderen.” Hij aarzelt even. “Ach, het is allemaal komedie. Hier zijn vrijwel alle media in handen van de regering, ze dienen de regering. Dit is Joegoslavië, dit is een land waar oorlogsmisdadigers in vredesapostelen veranderen.' Hij lacht schamper. “Vergeet dat niet.”

Toelatingsexamen

Vijftig meter verderop zetelt in het prachtige stadhuis József Kasza, de (Hongaarse) burgemeester van Subotica, een kleine man met een walrussnor. De campagne tegen de Hongaren, zegt hij, begon al in 1991: “Sinds dat jaar zijn de Hongaren uit alle staatsbetrekkingen gezet - er werken geen Hongaren meer bij de politie, of de douane, of de grenswachten.” Nu is een nieuwe fase begonnen: ze worden ontslagen bij fabrieken en bedrijven. “Ze worden 'met vakantie' gestuurd - een gedwongen vakantie, waarin ze nog maar het minimumloon krijgen. In hun plaats worden Serviërs aangenomen: vijf- tot zesduizend banen zijn al voor de Hongaren verloren gegaan.”

De Hongaren worden tegenwoordig overal gediscrimineerd, zegt Kasza: “De Serviërs mogen zonder examen naar school of universiteit, ze hebben niet eens papieren nodig en kunnen niets overleggen dat op een vooropleiding wijst, terwijl de Hongaren extreem moeilijke toelatingsexamens moeten doen. En zijn de Serviërs klaar met hun studie, dan krijgen ze topfuncties - niet zomaar een baan, maar een topbaan.” Natuurlijk is dat allemaal in strijd met de wet, zegt burgemeester Kasza, maar zo gaat dat hier: “De wet werkt niet.”

De komst van de Krajina-Serviërs vergroot het probleem nog. “De etnische structuur van de stad is nu al veranderd, in een paar maanden. De Hongaren maakten 42 procent van de bevolking van de stad uit, maar tien procent is al vertrokken.” En als burgemeester kan hij er niets tegen doen, zegt hij: Belgrado stuurt tienduizend vluchtelingen, dumpt hen in een sporthal en laat hen verder aan hun lot over. “De Servische staat is helemaal niet in die mensen geïnteresseerd. En mij als burgemeester wordt niets gevraagd.”

De Serviërs weten van niets en willen van niets weten: zij zijn opgescheept met die 160.000 vluchtelingen die in augustus kwamen en ergens heen moeten. Dat kost moeite. Maar etnische zuivering? Hier in de Vojvodina? Nooit van gehoord.

Honderd kilometer vlak landbouwland ten zuiden van Subotica ligt Novi Sad, de hoofdstad van de Vojvodina. Het is niet meer de stad uit de jaren veertig die Aleksandar Tisma beschrijft in zijn boek Het gebruik van de mens: een vraatzuchtige, boosaardig loerende stad met greppels vol slijk en afval, 's zomers volgegroeid met gras, als oudemannenoren met haar, een stad met lage gebouwen, ondergedompeld in mist en kreupelhout, waar de koude noordoostenwind door de straten jaagt.

Het Novi Sad van nu is grootsteedser dan dat beeld, moderner, het heeft achter de Hongaarse kerk nog wel een wijk met nauwe, stille straatjes vol boutiques, maar teveel is nieuw om het Novi Sad van Tisma te herkennen. Misschien de mensen. Tisma omschrijft hen als aanmatigend, traag en arglistig, als mensen die je bevreemd en met half toegeknepen ogen aankijken. Somber zijn ze in elk geval, in het Novi Sad van nu, de vreugdeloosheid straalt ervan af, verstilde mensen, zwijgende mensen: op de markt en op straat en in de café's wordt vooral gezwegen. Winkels zijn leeg - veel vermicelli en veel jam, en heel veel drank, en verder niets, geen spullen, en ook geen mensen.

Hulp

Simka Somer werkt hier bij het Rode Kruis, ze is verantwoordelijk voor die 116.000 Krajina-Serviërs die in augustus naar de Vojvodina kwamen. Die golf kwam onverwachts, zegt ze, we waren daar niet op voorbereid. Servië had al voor honderdduizenden vluchtelingen te zorgen en zat al zonder reserves en zonder voedsel. Van de vluchtelingen die hier kwamen werden er 86.000 bij gezinnen geplaatst, “allemaal vrijwillig natuurlijk”. De anderen zitten in wat ze noemt 'collectieve centra' als scholen en sporthallen. Helaas, zegt ze, laat de internationale gemeenschap ons lelijk in de steek: er komt geen enkele vorm van humanitaire hulp. “De mensen hebben voedsel nodig, en kleding, want ze kwamen in zomerkleren en de winter staat voor de deur.”

Dat er zoveel vluchtelingen naar Vojvodina kwamen, 116.000 van de 160.000, is voor Simka Somer geen raadsel: “Wij hebben een grens met Kroatië, en de ervaring leert dat ze het liefst zo dicht mogelijk bij hun oude woonplaats wonen.” Bovendien hadden velen hier familie onder de Serviërs die hier in en na 1945 kwamen om de plaats van de Duitsers en de joden in te nemen.

Simka Somer weet niets van etnische zuiveringen tegen Hongaren, weet niets van geweld, weet niets van dwang. “Misschien waren er wat incidentele gevallen. Maar daar is tegen opgetreden. Nu wordt het bezit van iedereen beschermd.” Dat men zo klaagt in Subotica wil er bij haar niet in: “Sporadische gevallen, dat is alles.” Haar papieren wijzen ook uit dat er in Subotica maar 3.666 vluchtelingen zijn ondergebracht, niet tienduizend, zoals burgemeester József Kasza zegt.

Ook de burgemeester van Novi Sad, Djuro Bajic, weet van niets. Een grote, joviale man, een en al glimlach en tegemoetkomendheid is hij. Hij prijst de etnische tolerantie in Novi Sad, de zijne incluis, want zijn zoon trouwde onlangs en op het feest waren wel elf nationaliteiten vertegenwoordigd!, allemaal familie.

Hij kreunt als hij de gevolgen van de oorlog opsomt, alles bij elkaar zijn er sinds 1991 47.000 vluchtelingen naar Novi Sad gekomen, twintig procent van de oorspronkelijke bevolking, en dat terwijl de plaatselijke economie door de sancties tegen Joegoslavië maar op veertig procent van de capaciteit werkt. Zestigduizend mensen in de stad hebben geen werk, zegt hij, tienduizenden hebben geen water, verwarming, stroom of behoorlijke hygiënische faciliteiten. De mensen hebben geen reserves meer, zegt Djuro Bajic. Hij beklaagt zich over de buitenlandse media, “die worden niet betaald om over onze problemen te schrijven, die worden betaald om voor moslim-belangen te schrijven.” De wereld moet inzien dat Joegoslavië in het vredesproces een heel belangrijke rol speelt, zegt de burgemeester, “Milosevic is de pijler van het vredesproces”. En dat er door Serviërs excessen zijn begaan, ach, wetenschappelijk is bewezen dat elk volk twee of drie procent genocidale pathologen telt, vindt Djuro Bajic.

Embargo

Hij heeft wel eens over geweld tegen minderheden als de Kroaten en Hongaren gehoord, ook in zijn stad. Maar hij is daar hard tegen opgetreden: “Ik heb een groep van honderdzevenenveertig invloedrijke mensen gevormd en we hebben aan die praktijken een eind gemaakt. Er is verder niets gebeurd. Het waren uitzonderingen. Misschien gebeurt het elders, maar niet hier,” zegt Djuro Bajic. “Als eerste man van Novi Sad wil ik zulke toestanden niet, zelfs niet tegen de Kroaten en de moslims hier.” En trouwens, zo valt hem nog in: dat geweld tegen de Hongaren en Kroaten was geen actie maar een reactie, de reactie van de Serviërs namelijk op het besluit van Kroatië die vluchtelingen niet te laten terugkeren.

En weer prijst hij de etnische tolerantie, en heeft een woord van troost: “Als het embargo tegen Joegoslavië eenmaal is opgeheven, wordt het normale leven hersteld en zullen de spanningen afnemen.”

Buiten corrigeert de tolk het loflied van zijn burgemeester. Hij woont al een leven lang in Novi Sad en weet zelf niet goed hoe hij etnisch in elkaar zit: hij heeft Servisch en Hongaars en Duits bloed, en het kan hem niets schelen ook. Wat hem wel kan schelen is dat de sfeer in Novi Sad is veranderd, want zo mooi als de burgemeester het voorstelde, nee, zo is het niet: “Vroeger was dit een easy going city, met een prettige atmosfeer. Nu zijn de mensen bang. Ze hebben geen werk. Maar wat wil je - een op elke vijf mensen die je hier op straat ziet is een vluchteling, komt van elders, weet niet hoe hij moet overleven.”

Subotica, op de terugreis. Burgemeester Kasza met zijn onheilscenario: “Als het blijft gaan zoals het nu gaat, is het met de Hongaren gedaan. Dan worden we tweederangsburgers. Dan verliezen we stap voor stap onze rechten, onze scholen, onze culturele instellingen. Steeds meer Hongaren zitten zonder werk en de krant is ook in gevaar.” Als het zo doorgaat, zegt József Kasza, hebben de Hongaren in de Vojvodina nog maar één keus, dan moeten ze kiezen tussen vluchten en assimileren.

    • Peter Michielsen