Hoe achterlijk was Nederland

H.W. LINTSEN e.a. (red.): Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel VI Techniek en samenleving.

323 blz., Stichting Historie der Techniek/Walburg Pers 1995, ƒ 78,50 (bij intekening op de zesdelige serie ƒ 69,50)

Al aan het eind van de achttiende eeuw zijn Nederlandse burgers zich gaan afvragen wat er toch gebeurd was sinds die verdwenen gloriejaren van de Gouden Eeuw. Concrete gebeurtenissen als het verlies van de Vierde Engelse Oorlog en de afscheiding van België stimuleerden dit denken in termen van weemoed, en in toenemende mate van gemopper. In Potgieters Jan, Jannetje en hun jongste kind culmineerde de tijdgeest in een monument waarvan de invloed tot de dag van vandaag voelbaar is. Nog altijd geldt de negentiende eeuw in Nederland als een weinig dynamische tijd, de tijd van Jan Salie en Pieter Stastok, terwijl in Engeland de industriële revolutie op volle toeren draaide en in Duitsland de basis werd gelegd voor de machtige chemische industrie.

Het is dit beeld van een sukkelend Nederland dat de rode draad vormt van de zesdelige serie Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890.

Waar kwam dat beeld vandaan en is het terecht? Daarmee beginnen de auteurs onder leiding van hoofdredacteur Harry Lintsen, hoogleraar geschiedenis der techniek in Delft en Eindhoven, in het in 1992 gepubliceerde eerste deel, en daarop hopen ze meer dan tweeduizend pagina's verder, in het deze zomer gepubliceerde zesde deel een antwoord te hebben gegeven. De eerste vier delen bevatten daartoe een groot aantal studies waarin in detail wordt nagegaan welke technische ontwikkelingen zich in een bepaalde bedrijfstak in de negentiende eeuw hebben afgespeeld. Kenmerkend voor de aanpak in deze serie is dat de auteurs zich niet hebben beperkt tot een 'bouten- en moerengeschiedenis', maar volop oog hebben voor de sociale, economische, politieke én technische omstandigheden waarin ondernemers, ambachtslieden, technici en wetenschappers opereerden. In de laatste twee delen komen sector-overstijgende kwesties aan bod, zoals de opleiding van technici en de rol van de overheid. Aan het project is sinds 1980 gewerkt.

Die brede benadering van techniek werkt verhelderend. Neem nu de stoommachine, in het algemeen beschouwd als hét symbool van de vooruitgang in de negentiende eeuw, ook door tijdgenoten. Dat Nederland weinig stoommachines telde gold toen en geldt nu als een argument voor de relatieve achterlijkheid van Nederland op technisch gebied. Wanneer men alle stoommachines bij elkaar optelt die sporen hebben achtergelaten in de geschiedenis, dan moet men inderdaad concluderen dat er in de eerste helft van de negentiende eeuw in Nederland weinig stonden opgesteld: veel minder dan in Engeland, maar ook aanzienlijk minder dan bijvoorbeeld in België.

Vuurmonster

Maar wie de lotgevallen van stoommachines in Nederlandse bedrijven gedetailleerder bekijkt, komt tot de conclusie dat zo'n apparaat lang niet altijd een zegen was. Die vroege stoommachines waren groot, duur, bepaald niet zuinig met steenkool, moeilijk te bedienen en te onderhouden, en verre van universeel inzetbaar. De belangrijkste toepassingen in Engeland - het oppompen van water uit mijnen en het aandrijven van machines in grootschalige textielfabrieken - waren voor Nederland niet zo relevant. Ondernemers die in de eerste helft van de eeuw na rijp beraad hadden besloten geen stoommachine aan te schaffen, hadden het helemaal niet slecht gezien. Menige aanschaf van zo'n vuurmonster liep uit op een regelrecht fiasco. Nederland was op technisch gebied niet achterlijk, concluderen Lintsen en zijn mede-auteurs, hoogstens achter, en in elk geval anders.

Het is dus niet zo dat Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw niet rijp was voor de stoommachine; de stoommachine was nog niet rijp voor Nederland. Toen de stoomtechniek in de tweede helft van de eeuw verder werd ontwikkeld, en de machines kleiner, efficiënter, betrouwbaarder en goedkoper werden, vond dit symbool van de vooruitgang hier wel emplooi.

Ondernemers konden toen ook snel op ontwikkelingen inspelen, want ze wisten wat er gaande was in de wereld. Ze lazen buitenlandse tijdschriften, bezochten nijverheidstentoonstellingen, gingen zelf op reis of stuurden een medewerker op pad om kennis te vergaren. Buitenlandse vernieuwingen werden op hun merites beoordeeld, zo nodig aangepast aan de Nederlandse situatie, overgenomen en verder ontwikkeld. De zes delen laten hiervan talloze voorbeelden zien.

Nederland is echter ook in de tweede 'dynamische' helft van de negentiende eeuw geen land waar de grote uitvindingen van de tijd zijn gedaan, zo blijkt uit De geschiedenis van de techniek in Nederland. Nederland was van een technologische koploper (in de Gouden Eeuw) een volger geworden, concludeert Lintsen, een diffusieland. Alleen op beperkte terreinen, zoals de waterbouwkunde, speelde het aan het einde van de negentiende eeuw - en nu nog steeds - een toonaangevende rol. Het beeld van Nederland in de negentiende eeuw als technisch achterlijk is dus niet terecht. Nederlandse ondernemingen verfijnden bestaande technieken - zoals in de weverij en de windmolenbouw - en pasten geheel nieuwe technieken toe waar dat tot betere resultaten leidde. Dat deden ze soms (veel) later dan in Engeland, maar de omstandigheden hier waren dan ook anders dan die in Engeland.

Nu wordt ook duidelijker waar dat beeld van die Nederlandse achterlijkheid vandaan komt. Het wortelt in de fascinatie voor de winnaar, voor degene die iets als eerste doet. Die fascinatie speelt niet alleen 'gewone' waarnemers parten, maar ook professionele historici. Van de geschiedenis van industrialisatie en de technische ontwikkelingen die daarbij horen, is verreweg het meeste onderzocht in Engeland, de koploper op dit terrein. De vraag is echter of de wederwaardigheden van een pionier het beste materiaal leveren om te begrijpen hoe die ontwikkelingen in het algemeen verlopen.

Dynamiek

Nu de serie is voltooid is de tijd aangebroken voor een evaluatie. Dat is bij deze boeken ingewikkeld, omdat ze zich zowel op historici en technici richten, als op een breed publiek. Elk deel bevat zowel tientallen pagina's noten en bijlagen, en een register, als honderden veelal zeer fraaie illustraties. Naast alle lof voert bij de historisch geïnteresseerde technici één punt van kritiek de boventoon: er zit zo weinig techniek in de boeken, en zo veel context. Veel ruimte is gegeven aan overwegingen van ondernemers waarom ze een bepaalde techniek wel of niet toepasten, maar van de worsteling van technici is niet zo veel terug te vinden. Die kritiek snijdt hout. Het is een beperking van de boeken, deels ingegeven door de aard van het nagelaten materiaal, deels door de vastgelegde omvang van de boeken. Er zijn nu eenmaal meer kasboeken dan ontwerpschetsen nagelaten. Daar staat tegenover dat er al heel wat 'bouten- en moerengeschiedenissen' bestaan, terwijl deze contextuele benadering van techniekgeschiedenis betrekkelijk nieuw is, zeker op deze schaal. Binnen de gegeven beperkingen is de afweging die de samenstellers hebben gemaakt terecht: juist op het gebied van de samenhang van techniek met andere maatschappelijke ontwikkelingen hebben ze het meeste te vertellen.

In de keuzes die de auteurs hebben gemaakt spelen zoals gezegd overwegingen van ondernemers een dominante rol. In economische termen bezien: er is vooral aandacht voor de aanbodzijde van de markt. Aan de vraagzijde zijn drie geheel verschillende markten te onderscheiden: de binnenlandse markt, de wereldmarkt en de overheid. In de eerste helft van de negentiende eeuw was Nederland nog nauwelijks een eenheid. Prijzen van goederen en arbeid vertoonden grote regionale verschillen, en van een nationale markt was dan ook eigenlijk geen sprake. Die ontstond pas met het aanleggen en verbeteren van lange-afstandsverbindingen als kanalen en spoorwegen. Voeg daarbij dat de reële lonen in de eerste helft van de eeuw stagneerden, dan is het begrijpelijk dat er weinig schot zat in de binnenlandse vraag. Geen wonder dat het juist de sectoren waren die voor de overheid en die voor de export produceerden, die in de negentiende eeuw de meeste dynamiek vertoonden: dat waren de sectoren die het minste last hadden van de beperkingen van de markt. Om dit soort zaken goed op sector- en bedrijfsniveau te kunnen uitzoeken is echter het wachten op de reconstructie van de nationale rekeningen, waaraan door historici aan de Rijksuniversiteit Utrecht wordt gewerkt. Duidelijk is wel dat de finale geschiedenis van de negentiende eeuw, ook als het gaat om de geschiedenis van de techniek, nog lang niet is geschreven.

Voorbeeldfunctie

Na lezing van dit werk rijst de vraag: was Nederland een creatieve 'volger'? Beantwoording van die vraag vergt vergelijking met andere volgers, zoals Zwitserland, Denemarken, Noorwegen en Italië. Een systematisch overzichtswerk van de omvang van De geschiedenis van de techniek in Nederland is daar echter niet beschikbaar. Internationaal kan deze studie dan ook een voorbeeldfunctie vervullen. Deze zes boeken zullen de komende decennia het beeld bepalen van de techniek in Nederland in de negentiende eeuw. Terecht. Ze vullen een leemte in de geschiedschrijving, die te vaak techniek als een externe oorzaak van ontwikkelingen beschouwt, zonder zich te realiseren dat die techniek net zo goed het resultaat is van sociale, politieke, economische en culturele ontwikkelingen. Dit is een van de belangrijkste factoren die de boeken zo interessant maken voor een breed publiek.

Een woord van lof is op zijn laats voor de Walburg Pers die deze uitgave buitengewoon fraai en rijk geïllustreerd heeft verzorgd. Dankzij subsidies van het Prins Bernhard Fonds en de Stichting voor Publieksvoorlichting over Wetenschap en Techniek kon de prijs desondanks redelijk worden gehouden. Toch is ook op de uitvoering kritiek mogelijk. Het ware beter geweest als er wat meer moderne en heldere diagrammen hadden ingestaan van de vele technische processen die aan de orde komen. Tabellen en grafieken hadden aansprekender vorm kunnen worden gegeven. En sommige hoofdstukken hadden strakker moeten worden geredigeerd. Maar dat zijn details die de waardering voor dit werk geenszins in de weg staan.

    • Dick van Eijk