Het ene oor

Vijfenveertig jaar lang was Hongarije een vazalstaat van de Sovjet-Unie, maar nauwelijks vijf jaar later is er van Russische invloed hier haast niets meer te bespeuren. Wat nog het langst beklijft is het Sovjet-beton, waaruit in de buitenwijken de flatgebouwen en in de binnenstad de monumenten opgetrokken zijn: grote platen van halfbakken mortel die op de rand verkruimelen, overlangs traag en onstuitbaar barsten en tot in het hart zijn aangevreten door betonrot: aanschouwelijk onderricht in de instorting van een wereldrijk.

Over Sovjet-design moet gauw iemand een studie schrijven, nu er nog iets van rest: onmiskenbaar lag het creatief moment van het communistisch ontwerp vroeg in de jaren vijftig en greep het terug op Bauhaus, tot in het homeopathische verdund. Er was toentertijd (ook in het Westen) korte tijd een onbeperkt vertrouwen in nieuwe kunststoffen, in ijzerdraad en chroom. In het Sovjet-blok bleef dat materiaal in zwang, de fabrieken stonden er nu eenmaal en men had iedereen behalve een flat ook een complete woninginrichting beloofd en een tweetaktautootje met een carrosserie van plastic. Daar is nog veel van over en dat alles is een beetje stuk en aan vervanging toe, maar voor iets nieuws is nog geen geld: men spreekt, meen ik, in zo'n geval van een historische overgangsfase, waarin een complete categorie spullen, nog tijdens het gebruik, eigenlijk al bij het vuilnis hoort.

Te verwachten is dat heel het Sovjet-imperium geen spoor zal achterlaten in Midden-Europa. Ook van de Russische taal wordt nu al geen woord meer vernomen. En toch waren nog maar een paar jaar geleden opschriften, circulaires en allerlei officiële teksten in die taal gesteld, en was veel Cyrillisch schrift in Sovjet-beton of brons gegoten. Ook de geheugens moesten planmatig met Russisch worden volgestort. Al op de lagere school werden alle leerlingen van de eerste klas af aan in de Sovjet-wereldtaal onderwezen, twee tot vier uur per week, tien, twaalf, veertien jaar lang.

En toch, het is haast niet te geloven, spreekt vrijwel niemand van de generaties die onder het communisme naar school gegaan zijn in de landen van het oude Oostblok ook maar een woord Russisch. De eerste keer dat ik dat constateerde was in een werkgroep van studenten die uit bijna alle Oost-Europese landen afkomstig waren. Alleen de Rus en ik weigerden aan te nemen wat alle anderen bij hoog en laag volhielden: ze verstonden en ze spraken geen Russisch, niks, ninc, nitsjewo. Van al dat jarenlange onderricht was geen naamval, verbuiging of vervoeging blijven hangen.

Hoe kan dat nou? Ja, hoe kan dat nou? Het leek hen volstrekt vanzelfsprekend en zelf hadden ze er nooit zo bij stil gestaan. Maar het onderwerp werd wat giechelig afgedaan. Kennelijk liet men zich op die onkunde van het Russisch een beetje voorstaan. Het was een daad geweest van patriottische hardleersheid. Een lijdelijk verzet, uur na uur, jaar na jaar volgehouden, niet door één dwarse leerling, maar door de hele klas; niet in één jaargang maar op de hele school; niet in één rebels gebied, maar overal in de wingewesten van het uitgestrekte Sovjet-rijk. Het ging hier kennelijk om een zeer wijd verbreide maar toch nooit eerder beschreven sociaal verschijnsel: de collectieve taal-afweer.

Eén van de studenten uit die werkgroep, Ann Vogel, schreef haar scriptie over dit vreemde fenomeen in haar geboorteland, de DDR. Ze maakte daarin aannemelijk, wat ik aanvankelijk niet geloven kon, dat het merendeel van de scholieren in al die duizenden lesuren inderdaad nagenoeg niets geleerd hadden. Het was niet zozeer dat ze een weliswaar verworven taalkennis achteraf loochenden, al komt ook dat voor, de meesten hadden helemaal niets opgestoken uit weerzin tegen het Russisme.

Het Russisch werd in het Oostblok niet onderwezen als zomaar een taal, maar als het uitverkoren medium in het vriendschappelijk verkeer van alle broedervolkeren onder de banier van het communisme; die inspanning voor het Russisch was men het Sovjet-volk wel verplicht vanwege de grote offers die het gebracht had in de bevrijding van Europa van het fascisme. Kortom, je leerde in die taallessen dus niet alleen hoe je het zeggen moest, maar ook wàt je zeggen moest. En dat viel verkeerd bij de leerlingen.

Van dat vriendschappelijk verkeer kwam trouwens niet veel terecht, want op groepsreisjes naar de Sovjet-Unie werden de leerlingen angstvallig van de plaatselijke bevolking afgeschermd en ook de verbroedering met de Sovjet-soldaten in eigen land werd van hogerhand niet bevorderd. Kwam het al eens tot een ontmoeting met scholieren uit andere landen van het Oostblok dan bleken die al even onbekwaam in het Russisch en werd al gauw Duits gesproken en steeds meer ook Engels. Na het eindexamen werd bij sollicitaties helemaal niet naar vaardigheid in het Russisch gevraagd. Kortom, de leerlingen hadden al vlug door dat je er niets aan had, aan die Russische les. De leraren Russisch werden voor sukkels aangezien die voor niets anders geschikt waren, en een leerling die in de les zijn best deed werd afgedaan als een stroopsmeerder en een pluimstrijker. De scholieren zaten ostentatief te gapen en uit het raam te kijken en die prachtige Russische taal vond alleen nog weerklank tegen de kale muren van het klaslokaal.

Nu is dat allemaal voorbij. Russisch wordt nauwelijks nog onderwezen, op de scholen strijden Duits en Engels om de voorrang, in de winkels worden Engelse en Duitse cursussen om het hardst verkocht. Al die moeite en al die verveling, het was allemaal voor niks.

Maar een paar duizend uur les om niets te leren, daar moeten mensen toch iets aan overhouden: een kleverige saamhorigheid, een trekvast soort weerstand. Dat zal dan nog wel blijken.

    • A. de Swaan