Dubbelleven

Overhoff was een legendarische naam in Amsterdam. Voorzitter van de effectenbeurs in de oorlog en commandant van de Amsterdamse BS. Als Carel F. Overhoff na de bevrijding in 1945 in zijn open BS-jeep door Amsterdam reed hielden de voorbijgangers even de pas in om hem vol ontzag na te kijken. Dr. L. de Jong heeft hem in zijn werk een aureool van onverschrokkenheid gegeven, een monumentale verzetsfiguur, man uit één stuk, die met stalen zenuwen de bezetters bestreed en op 7 mei 1945 de door dronken Duitse militairen aangerichte schietpartij op de Dam met zijn blote handen smoorde. Ook bij de pers van die dagen kon Overhoff geen kwaad doen, zelfs niet toen hij enkele jaren later met zijn gerenommeerde commissionairskantoor door eigen schuld in financiële problemen kwam en zijn financiële ondergang tegemoet ging.

Overhoff had als BS-commandant overtuigende papieren, maar zijn verzetsverleden strekte zich niet over de gehele bezettingsperiode uit. Zijn illegale verleden begon eigenlijk pas te tellen na de invasie van Normandië. Maar toen verwierf hij zich dan ook zoveel gezag dat hij door de BS naar voren werd geschoven als kandidaat voor het burgemeesterschap van Amsterdam.

Toch nam Carel Overhoff als verzetsman beslissingen die niet te rijmen waren met zijn illegale verantwoordelijkheden. Gerard Mulder onthulde een aantal jaren geleden dat Overhoff in 1945 de NSB-er M.M. Rost van Tonningen had aangeboden hem via een Belgisch klooster te helpen vluchten naar Brazilië. Ondanks fundamentele verschillen van politiek inzicht was Overhoff, aldus Mulder, begaan geweest met het lot van Rost van Tonningen, wie de doodstraf al boven het hoofd hing (NRC Handelsblad van 22 september 1990). Rost van Tonningen had het aanbod van Overhoff echter afgewezen omdat hij van mening was dat hij zich voor zijn financieel beleid als 'president' van de Nederlandsche Bank in de bezettingstijd geheel kon verantwoorden.

Mulders onthulling, die ontleend was aan de memoires in wording van mevrouw Rost van Tonningen en aan een vraaggesprek met de schrijfster, stuitte niet alleen in voormalige verzetskringen op ongeloof. Ook de na de oorlog geboren Amsterdamse jurist J.P. Meihuizen behoorde tot de sceptici. Maar wat hem toen 'een bijzonder ongeloofwaardig verhaal' leek, is hem na uitgebreide bestudering van de archiefstukken intussen maar al te waar gebleken. In zijn onderzoek naar de bijzondere rechtspleging betreffende economische collaboratie, waarover hij een proefschrift voorbereidt (vakgroep rechtsfilosofie UvA), heeft Meihuizen niet alleen Overhoffs motieven voor zijn hulp aan de voormalige vijand ontdekt, maar ook de achtergrond van zijn duistere financiële leven evenals een aantal dubieuze momenten in zijn beursvoorzitterschap. Overhoff is wegens het verduisteren van aan hem als commissionair toevertrouwde rekening-courant-gelden in 1952 tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Daarvoor was hij al zowel uit zijn ambt gezet als van de beurs verwijderd. Hij was dus, zou men denken, zwaar genoeg gestraft. Dat is niet de mening van Meihuizen, die in een zojuist verschenen voorproefje van zijn nog onvoltooide proefschrift met overtuigende stukken aantoont dat Overhoff op grond van zijn verzetsverleden in de economische geschiedschrijving te lang de hand boven het hoofd is gehouden. De 54 bladzijden van zijn polemische brochure lijken vooral bedoeld als correctie op het werk van de historici L. de Jong en Joh. de Vries, die het frauduleuze leven van de beursvoorzitter en BS-commmandant Carel F. Overhoff volgens Meihuizen stelselmatig met de mantel der liefde hebben bedekt ('Goed fout'. Het criminele verleden van beursvoorzitter en verzetsman Carel F. Overhoff in de doofpot van historici, ƒ 19.50; verkrijgbaar bij de academische boekhandel). Meihuizen komt nu met een andere Overhoff voor de dag. Met een beursvoorzitter die zich aanpaste aan de door de bezetter tegen de joden genomen maatregelen en de handel in joodse effecten niet verbood; en met een verzetsman die niet vrij was van opportunisme en eigenbelang en dankzij zijn BS-functie er lange tijd in slaagde een justitieel onderzoek naar zijn eigen financiële malversaties te frustreren. De gevolgen van die malversatie waren rampzalig op twee niveaus: de 136 jaar oude firma Kerkhoven & Co. legde het loodje en de klanten konden naar hun centen fluiten. Het was een wonder dat Overhoff zijn ontmaskering nog zo lang wist uit te stellen (volgens Meihuizen als gevolg van een massale mobilisatie van zijn verzetsrelaties) en pas over de rand van de afgrond viel nadat hij al twintig jaar zijn inkomen uit de tegoeden van zijn klanten had aangevuld. Deze jarenlange praktijk werd volgens Meihuizen “veroorzaakt door Overhoffs zucht om er een zeer hoge levensstandaard op na te houden”. De liquidatie van zijn kantoor in 1948 liet het financiële hart van Nederland niet onberoerd, nadat het tot de beurswereld was doorgedrongen “dat firmant Overhoff zich gedurende bijna twintig jaar en bij voortduring had schuldig gemaakt aan verduistering en dat de beurs van 1941 tot 1948 geleid was door iemand die de facto failliet was”.

De Amsterdamse effectenbeurs had al moeite genoeg met de verwerking van de ontmaskering van haar voorzitter, maar ze dreigde nu ook nog haar alibi voor de bezettingstijd kwijt te raken. De archiefbescheiden die Meihuizen laat spreken tonen onweerlegbaar aan dat Overhoff na de bevrijding zijn verzetsverleden gebruikte om de beurs te vrijwaren van de wettelijke plicht om haar integriteit gedurende de bezettingsjaren te bewijzen. Doordat het kabinet-Schermerhorn onder de indruk was van zijn 'verzetspostuur' lukte het Overhoff een regeringsmaatregel uit Londen ongedaan te maken en de beurs immuniteit te verlenen tegen eventuele verhaalacties van joodse effectenbezitters die onder het bewind van Overhoff van hun bezit waren beroofd. De Raad voor het Rechtsherstel deed die meegaandheid van de regering in 1952 echter weer teniet, waardoor niet alleen Overhoff kwam te hangen maar ook de beurs haar immuniteit verloor. Op dat moment was genoegzaam duidelijk dat Carel Overhoff niet de lelieblanke beurs- en verzetsman was die hij voorgaf te zijn. Het woord is nu weer aan L. de Jong en Joh. de Vries. Voor een kleine, maar gepaste revisie.

    • Harry van Wijnen