Door de sixties werd Nederland volwassen

Met de jaren zestig wordt steeds hardhandiger afgerekend. Het decennium van Provo, Maagdenhuis en Woodstock wordt luidkeels gehekeld als het tijdvak waarin de verloedering van het degelijke naoorlogse Nederland toesloeg. Dat beeld is een eigentijdse mythe, meent Hubert Smeets, gecreëerd door dezelfde generatie die dankzij de jaren zestig vooruit kon komen. In feite markeerde juist dat decennium immers de modernisering en mobilisering van een autistische natie.

Onze eigen historici-strijd over de jaren zestig gaat over van alles en nog wat - behalve over de jaren zestig. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de aard van de sociaal-culturele revolutie die Nederland de afgelopen dertig jaar heeft aangedaan en nog eens versterkt door de karige traditie van contemporaine geschiedschrijving alhier. Het is allemaal begrijpelijk. Maar pijnlijk blijft het.

Al enkele jaren houdt een deel van de denkende elite van deze natie zich week in week uit bezig met een ideologische afrekening met de erflaters van de jaren zestig. De hypotheek op die periode moet dertig jaar later kennelijk ineens, en bij voorkeur definitief, worden afgelost.

Hoewel de interpretaties verschillen, draaien bijna alle argumenten rond het beeld waarmee de jaren zestig al sìnds de jaren zestig worden gedefinieerd. Het beeld dat Nederland toen zijn normen en waarden heeft verkwanseld en aldus een tweede zondeval heeft beleefd. Het zijn de jaren zestig die, met hun 'vrijheid-blijheid' in seks, drugs, kunst en werk, een einde hebben gemaakt aan het verzuilde normbesef dat ons land bijeenhield. Het zijn de jaren zestig die vervolgens ook nog eens de materiële waarden hebben doen verloederen waarop onze schatkist steunde. Ons arbeidsethos - conform het beginsel 'zuinigheid-met-vlijt' - en onze bezitsmoraal - het 'mijn-en-dijn' - zijn toen, en alleen toen, gesneuveld op het offerblok van linkse luiheid en wereldvreemdheid. Er loopt dus, zo wil het verhaal, een rechte lijn van de anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld naar de drugscriminelen Steve Brown en Klaas Bruinsma, en van Eduard Bomhoff (die in 1968 als voorzitter van de Studentenvakbeweging in de tuin van de verguisde Nederlandse Studentenraad te Leiden met een schep op zoek ging naar verborgen archieven) naar computerkraker Rop Gonggrijp en zijn collega-hackers.

Clichés zijn nooit helemaal onzinnig. Maar in de kern gaat het hier om een historiografische mythevorming die meer zegt over de jaren negentig dan over de jaren zestig. Want wat hebben de jaren zestig eigenlijk in structurele zin voor Nederland betekend?

De stelling is deze. Dankzij de jaren zestig heeft Nederland op tijd de weg gevonden naar de grote wereld. Alleen door zich toen over te geven aan een consequente liberalisering van de economische, sociale, culturele en politieke verhoudingen heeft het land zich aan zijn autisme kunnen ontworstelen en zich vervolgens gemobiliseerd.

Tot dertig jaar geleden was Nederland een relatief achterlijk land. Nog begin jaren zestig was hier sprake van een geleide economie en een geleide democratie. In geen van beide domeinen konden de maatschappelijke krachten het volle pond opeisen. Ze waren met handen en voeten gebonden aan dat paradoxale systeem van verticale patronage en horizontale consensus, gepersonifieerd in de katholieke emancipator Romme en diens sociaal-democratische mannenbroeder Drees. De maatschappelijke elites en hun onderdanen voelden zich daar weliswaar prettig bij, maar liberaal kon dit maatschappelijke bestel toch niet worden genoemd. De klassieke Nederlandse soberheidsideologie - neem alleen al het woord 'bestedingsbeperking' - werd met de opmars van het Atlantische model meer en meer een anachronisme. Ze werd een sta-in-de-weg om ook ons land in de vaart der volkeren mee te zuigen.

In de jaren zestig werd deze patronage-maatschappij langzamerhand ontmanteld. De uitingsvormen daarvan zijn bekend. De loonpolitiek schiep een massaconsument die zijn rechten kwam claimen. De rakettencrisis bracht de Koude Oorlog op een politiek, en dus minder apocalyptisch, niveau. De televisie introduceerde in de huiskamer van de familie-Doorsnee ongevraagd de wereld buiten de zuil. En de jeugd, onwetend van jaren dertig, oorlog en wederopbouw, begon onbeschaamd brommer te rijden en kon zo woeste films in vergelegen dorpen en steden gaan zien.

Terugkijkend op dit proces wordt altijd hetzelfde effectbejag nagestreefd: Provo, het Huwelijk, de Maagdenhuisbezetting, Hoepla, Woodstock en Nieuw Links. Deze mythische beelden leiden zo'n hardnekkig bestaan omdat de jaren zeventig en tachtig - de periode van crisis, politisering en stablisatie - er overheen kwamen dat beeld hebben uitvergroot. Maar er waren, op de keper beschouwd, veel belangrijker gebeurtenissen. De volgende ijkpunten hebben hun schaduw namelijk pas echt mijlenver vooruit geworpen.

1962. Het televisie-interview met monseigneur Bekkers.

“Menselijke liefde en verantwoordelijkheid kunnen aanleiding zijn tot het stichten van een groot, maar evenzogoed tot het stichten van een klein gezin”, zei Bekkers drieëndertig jaar geleden, en wel omdat geboortenregeling en huwelijksbeleving “gewetenszaken zijn waarin niemand behalve de gehuwden mogen treden”. De bisschop van Den Bosch gaf daarmee aan dat het gezin (de liefde) als maatschappelijke entiteit belangrijker is dan het dogma (de opdracht tot voortplanting) van een ultramontane institutie. De betekenis van deze woorden kan moeilijk worden onderschat. Wat de monseigneurs Bluyssen, Ernst, Simonis en Gijsen nadien nog te berde hebben gebracht, was kinderspel vergeleken bij de lijn-Bekkers. Dankzij hem is het seksuele leven deel geworden van de openbaarheid, variërend van de biecht bij de pastoor na de beatmis tot een televisieprogramma als 'Open en Bloot' en de weerbarstige huwelijksopvatting van de prinsessen Irene en Christina. Hij heeft zo het kerngezin als maatschappelijke basiseenheid gered. Juist door seks te problematiseren en psychologiseren, heeft Bekkers het zuurdesem in de relatie tussen man en vrouw in het volle licht gezet.

1964. Het REM-eiland.

De zegetocht van de illegale tv-zender op het REM-eiland mocht in 1964 maar vier maanden duren, maar Mr. Ed (het sprekende paard) en The Thunderbirds hebben een onuitwisbare invloed op Nederland gehad. Voor het eerst deed in de volksopvoeding de piraterij zich gelden en werd door haar succes vervolgens ook nog gelegaliseerd. Niet de VPRO maar de TROS en Veronica hebben zodoende voor elkaar gekregen dat de verzuilde volkscultuur zich uiteindelijk moest onderwerpen aan de tucht van de markt. Hetgeen er recent toe heeft geleid dat de firma Endemol - de rechtmatige erfgenaam van het REM-eiland - zich het MTV van het Europese vasteland mag noemen. Niet slecht voor een kleine natie, die zich al sinds de Gouden Eeuw niet meer mocht verheugen in de rol van cultuur-producent.

1965. De sluiting der mijnen.

Het dichtgooien van de mijnen door minister Den Uyl van economische zaken was hèt signaal dat de staat zich ging gedragen naar de rationaliteit van de economie en zo afscheid nam van de leuze 'koopt Hollandse waar, dan helpen wij elkaar'. Bij het verlies van Indië was dat nog allerminst het geval. De mijnsluiting - die niet toevallig gelijk opging met concentratie in landbouw en veeteelt, versnelde urbanisatie en verbreding van het scholingsniveau - was de voorbode van een revolutie die Nederland heeft omgevormd tot hoogwaardige diensten-economie, van computerchips via Schiphol tot hasjtransporten door de Rotterdamse haven. Het leidde tot een arbeidsproduktiviteit die zijn weerga in de wereld niet kent.

1966. De stichting van D66.

De oprichting van deze politieke formatie was de voorbode van een marktconform democratisch besef dat weliswaar lang op zich heeft laten wachten maar nu in brede kring is doorgedrongen. Het waren de D66'ers die als eersten inzagen dat de burger in een software-maatschappij een electorale consument is, in plaats van een onderhorige in een semi-feodaal patronagesysteem. Zij waren het die het verlichte beginsel van de volkssoevereiniteit via referenda en districtenstelsel hebben geïnstitutionaliseerd en de Nederlandse politiek daarmee uit haar filosofische kluisters hebben bevrijd. In een vrije samenleving heeft immers niet alles met alles te maken, maar regeren slechts belangen.

1967. Het topjaar van Eurotex.

Bij aanvang van het folderseizoen lagen in januari 1967 de burgers bij het reisbureau Eurotex, in de Amsterdamse Sarphatistraat, in slaapzakken op de stoep om als eersten te kunnen boeken voor een vakantie in Italië of Spanje. Via Eurotex, een reisorganisatie die niet bij een kartel was aangesloten, begon onze culturele oriëntatie zich te internationaliseren. Of ze nu met een charter naar Benidorm vlogen of met een Kadett de Brenner-pas overstaken, in alle gevallen namen ze een patatje-met mee en een flesje wijn terug. Wie zich de sensatie van de mandflessen Rioja, de magnums Valpolicella en de doosjes Camembert bij Albert Heijn voor de geest haalt, weet genoeg. De variaties die de grootgrutters sindsdien in hun assortiment hebben aangebracht zijn niet meer dan commerciële modaliteiten op deze eerste massale ontdekkingsreis.

Conclusie. In één generatie heeft Nederland een radicale metamorfose ondergaan: van een dorpse, agrarisch-indus- triële en quasi-burgerlijke maatschappij tot een suburbane, commerciële en volwaardig burgerlijke marktsamenleving. Het speelt mede daardoor nu naar verhouding een grotere rol dan een kleine halve eeuw geleden. Dankzij de jaren zestig heeft Nederland kunnen voorkomen dat het vroegtijdig het Jutland van Europa werd.

Die scherpe bocht heeft natuurlijk niet iedereen con amore gemaakt. Met name het oude establishment, geschraagd door patriciërs en verzuilde regenten, moest in de confrontatie tussen traditie en modernisering ineens zijn machtspositie waarmaken. En dat deed pijn. Medio jaren zestig kon president Stheeman van de Amsterdamse rechtbank bijvoorbeeld nog tegen een hoofdstedelijke advocaat die provo's en ander schorriemorrie placht te verdedigen, zeggen dat die bij hem nóóit een zaak zou winnen. Een paar jaar later was het echter met de magistraat gedaan, en niet met de advocaat.

Dat was spijtig voor Stheeman, maar het was ten dele ook zijn eigen schuld. Hij had niet in de gaten dat veel van zijn lotgenoten uit de elite (zoals Cals, Klompé en Veringa) allang eieren voor hun geld hadden gekozen, of beter, het initiatief van de modernisering naar zich toe hadden getrokken.

Dat de toenmalige elite zo snel en soepel door de knieën ging (zie daarover ook James Kennedy's net verschenen Nieuw Babylon in aanbouw), werd niet alleen ingegeven door de economische noodzaak om de Nederlandse samenleving te dynamiseren. De kwantitatieve en kwalitatieve betekenis van de geboortengolf, de generatie die in het eerste decennium na de oorlog was geboren en in de jaren zestig het maatschappelijke toneel betrad, dwóng haar daar ook toe. Als een F-side avant la lettre trokken de geboortengolvers immers langs de straten en pleinen van Nederland. Kwamen deze vandalen voorbij, dan gingen de ouderen voor de zekerheid even opzij.

Het is dezelfde F-side die nu, in zijn 'afrekening' met de jaren zestig, te biecht gaat. In algemene zin heeft hun kerkgang te maken met de incubatietijd waarmee externe veranderingen gepaard plegen te gaan. Zoals vijf jaar na de bevrijding Nederland zichzelf in ontreddering moest gaan dekoloniseren, zoals bijna vijf jaar na de Maagdenhuisbezetting het kabinet-Den Uyl aantrad, zo dient zich nu pas de diagnose van het slotakkoord van de Koude Oorlog aan. De geboortengolf heeft zich genesteld en denkt de balans van het eerdere leven te moeten opmaken.

Het zou onrechtvaardig zijn om alle geboortengolvers op dit punt over één kam te scheren. Laten we ze dus voor het gemak categoriseren. Er zijn de geboortengolvers die zich de jaren zestig gematigd en meer in culturele zin hebben eigen gemaakt (Our house, Crosby, Stills, Nash & Young). Er zijn er die in het decennium zelf aan het front de ideologische agenda hebben bepaald en het voorhoede-idee nooit hebben opgegeven. (Forever young, Bob Dylan). En ten slotte zijn er geboortengolvers die indertijd nadrukkelijk afzijdig bleven uit wrevel over het al te opgewonden klimaat in hun omgeving (Mr. Pleasant, The Kinks).

Maar nagenoeg allemaal hebben zij zich dankzij de jaren zestig maatschappelijk kunnen manifesteren, in de voorste linies danwel in het kielzog van de avant-gardisten. Zij hebben als eersten geprofiteerd van de kansen op mobiliteit die het, door monseigneur Bekkers en Eurotex in de steigers gezette, moderne Nederland bood. De posten van de elite, bij de overheid en in de particuliere sector, worden nu door hen beheerd.

Our House houdt daarover haar mond. Zij past zwijgend op de boel, schrijft zo nu en dan een keurige ingezonden brief naar de Volkskrant en verzorgt 's avonds de kinderen. Maar de andere twee groepen voelen zich minder gerust en roeren daarom nadrukkelijk de trom. Forever Young wellicht uit het schuldgevoel dat, zoals bekend, altijd aan de biecht voorafgaat. Mr. Pleasant vermoedelijk uit verlangen om alsnog revanche te halen voor de eigen, zo onzichtbaar verlopen, adolescentie.

Maar angst speelt ook een rol - angst voor wat kan komen. De geboortengolvers weten zich nu deel van het establishment en zouden daarom de deur bij voorkeur dicht trekken. Buiten staan immers de nieuwe runners-up, in aantal gering maar qua huidskleur zeer divers, aan de poorten te rammelen. Het is de klassieke ontwikkelingsgang. Je begint op de F-side, blijkt meer van het voetbal te houden dan van de rel en verhuist derhalve naar de overdekte en verwarmde zittribune, terwijl de staanvakken worden gevuld door nieuwe generaties die openlijk lak hebben aan jouw succes-verhaal. Huiveringwekkend vinden ze het, die brutaliteit achter de doelen.

De enige manier voor de nieuwe elite om daarmee om te gaan is de eigen opmars met terugwerkende kracht ontkennen. Dat de jaren zestig hen juist de kans hebben geboden om zich collectief te bevrijden en vervolgens individueel te ontplooien, wordt nu genegeerd. In feite luidt de mededeling van deze geboortengolvers aan de staantribunes: “Nu wij volledig zijn geëmancipeerd, hebben de jaren zestig afgedaan. Onze voertuigen staan niet meer ter beschikking. Jullie moeten maar beginnen met jullie sociale mobiliteit waar wij zijn geëindigd: in complete vrijheid en zonder de veiligheid van het vangnet dat wij hadden”. Niets is nu eenmaal moeilijker dan de medemens toe te staan, wat je jezelf ook gunt. Zeker nu in het nieuwe Nederland de ouderwetse materiële deemoed definitief lijkt te zijn bezweken onder de mokerslagen van de mondiale markt, is individueel succes welhaast een morele plicht geworden.

Het paradoxale is echter dat de geboortengolvers dit zeggen, anno 1995, op een manier die qua superieure stelligheid veel weg heeft van de jaren zestig. Alsof ze heimwee hebben naar die Gründungsjahre van het moderne Nederland, toen élan, hoop, idealisme en daadkracht nog de boventoon voerden. Of is het toeval dat zoveel geboortengolvers zich fixeren op de enige ideoloog die in deze tijd de problemen stelt maar niet oplost, op zo ongeveer de laatste politicus in dit land die zich bedient van een polariserend marxistisch analyse-kader, op de enige die zo nu en dan Marx uit de kast durft te halen: kortom, op de leider van de VVD.

Dat neemt niet weg, dat diens aangevers uit de geboortengolf zich nu, net als de neo-marxisten in de jaren zestig (en anders dan de VVD-chef zelf), onvoldoende rekenschap geven van de klassieke 'basis/bovenbouw-theorie'. Niet de sociaal-economische onderstroom wordt in het debat aan de orde gesteld, maar de culturele top van de ijsberg. Het historiografische debat ontstijgt derhalve niet het niveau van de vraag of de disco-verloedering van Hazeldonk-West het rechtstreekse gevolg is van de optredens van Johnny the Selfkicker in Amsterdam.

Terwijl serieuzere vragen toch voor het oprapen liggen. Bijvoorbeeld of er een uitweg is uit het dilemma van de prijs van de veiligheid versus de prijs van de vrijheid.

Want als het waar is dat de preoccupatie met veiligheid Nederland begin jaren zestig dreigde te vermolmen, en als vastgesteld kan worden dat de keus voor de vrijheid - de liberalisering van economie en cultuur - ons land geen windeieren heeft gelegd, dan geeft het toch geen pas dat de winnaars van toen de prijs van die vrijheid nu ineens niet willen betalen? En, omgekeerd, als het waar is dat de toen verworven vrijheid voor iedereen is uitgedraaid op ontwrichting van onze publieke ruimte - van stationshal tot coffeeshop - dan zou het debat toch vooral moeten gaan over de vraag of vrijheid en veiligheid wel beide beschermd kunnen worden, tegelijkertijd en in gelijke mate? Het antwoord dat de staat als repressief instrument gerehabiliteerd moet worden maar zònder de nieuwe sociaal-economische vrijheid teniet te doen of te beperken, is dan te simpel. Het antwoord zou minimaal gezocht moeten worden in de vraag of Nederland een markt is die wordt bevolkt door consumenten - die geen ander belang kennen dan het belang van de klant als koning - danwel een maatschappij moet zijn die wordt gedragen door staatsburgers.

Want alleen dan kan het gesprek gaan waarover het nu zou moeten gaan: niet over de jaren zestig als bijbelse vertelling, maar over de jaren negentig als spiegelbeeld van de jaren zestig.

    • Hubert Smeets