De Québecois stonden op uit 'de diepe duisternis'

QUÉBEC, 28 OKT. Nog maar een maand geleden zag Canada met superieure onverschilligheid het gedoe aan over het referendum van aanstaande maandag over de onafhankelijkheid van de provincie Québec. De nee-stemmers hadden immers een grote voorsprong in de peilingen. Maar dat werd heel anders toen Lucien Bouchard de leiding nam in de ja-campagne. Bouchard spreekt in bijtende korte zinnen, en altijd verongelijkt en verontwaardigd. 'Verraden', 'alleengelaten', 'veracht', 'overweldigd' en 'verwond' - dat soort woorden gebruikt hij het liefst. De Québécois moeten diep gekwetste mensen zijn.

Bouchard spreekt ook van trots en dan is het die van 'het eigen volk'. In die richting maakt hij wel eens een foutje. Twee weken geleden bijvoorbeeld sprak hij zijn ongenoegen uit over het feit dat de blanke vrouwen van Québec zo weinig kinderen hadden. Zelfs de vrouwen van de ja-campagne waren van dat soort opmerkingen niet gediend. Maar het heeft hem geen schade berokkend. Hij was echt geen racist, verklaarde hij bewogen, en ze vergaven het hem - iedereen maakt wel eens een foutje.

Bouchards rancune is niet direct te begrijpen. De stadjes en dorpen van Québec zien er net zo verzorgd uit als in de aangrenzende provincie Ontario. Montréal, waar bijna de helft van de Québécois wonen, is schoner en welvarender dan welke Europese of Amerikaanse stad dan ook - en veel veiliger. Het is er, Frans, vrolijk en kosmopolitisch. Québec heeft meer zeggenschap over zijn eigen zaken dan iedere andere provincie.

'Provincie' is een misleidend woord: het is eerder een deelstaat van een zeer gedecentraliseerde federatie. Québec ontvangt meer van de federale regering aan subsidies en uitkeringen dan het aan federale belastingen betaalt. Het Frans wordt beschermd. De federale regering en overheidsdienst is tweetalig, en wordt al dertig jaar vrijwel onafgebroken geleid door premiers die uit Québec afkomstig zijn. Het lijkt niet vreemd dat men zich in, zoals dat heet, de ROC (Rest of Canada) afvraagt: wat willen ze nog meer?

Québec was niet altijd het verwende kind van de federatie. Als de provincie vroeger weinig invloed had in de federale hoofdstad Ottawa, dan kwam dat omdat Québec zich ertoe beperkte federale bemoeiingen zoveel mogelijk af te weren, en met succes. Al in de zeventiende eeuw, toen het gebied nog Nieuw Frankrijk heette, werd bepaald dat de katholieke kerk het sociale leven zou bestieren, en dat is, ook na de verovering van Nieuw Frankrijk door de Britten in 1759, tot 1960 zo gebleven.

Priesters en nonnen maakten de dienst uit in overheidsdiensten, scholen en ziekenhuizen. Federale pogingen enige sociale zekerheid in te voeren werden tegengewerkt. De kerk waakte over de armen, en de regering over het kapitaal: vakbondsactiviteiten waren vrijwel verboden. Ondernemingen waren vaak in handen van Engelstaligen; om ergens voorman te kunnen worden moest een Québécois die taal beheersen. Het was de tijd die later wel de grand noirceur genoemd werd, de diepe duisternis.

Maar toen, in 1960, werd alles ineens helemaal anders. Er kwam een liberale regering aan de macht, en de révolution tranquille, de rustige revolutie, brak uit. Progressieve katholieke geestelijken hielpen enthousiast mee aan de ontmanteling van hun eigen machtsposities. Binnen enkele jaren waren de priesters en nonnen vervangen door jongeren die en masse werden opgeleid.

“Iedereen had in die tijd wel twintig banen”, herinnert zich een man die toen van school kwam. Hij weet ook nog dat in die tijd direct een nationalistische beweging opkwam, die vooral aanhang vond onder mensen zoals zijn vader: op het werk altijd gekoeionneerd, en maar van één ding zeker: de eigen Franse cultuur.

En er was ook Pierre Trudeau, de tweetalig opgegroeide liberaal die in 1968 federaal premier werd en dat met een korte onderbreking tot 1984 bleef. Trudeau maakte de federale overheid officieel en in de praktijk volledig tweetalig. Geen moeite was hem teveel om er voor te zorgen dat iedereen de taal van zijn keuze kon spreken. Als het maar om individuen ging, en niet om gemeenschappen, zoals Québec bijvoorbeeld.

Trudeau wilde koste wat kost voorkomen dat Québec zich de rol van bewaker van de Franse taal en cultuur kon aanmeten, en daar speciale rechten aan zou ontlenen. Zo'n rol, en die rechten, zag Trudeau als een versterking van Québec's nationalistische sentimenten. Nationalisme was in zijn ogen altijd verbonden met de belangen van één enkele etnische groep, en dus op den duur met onderdrukking.

Ter bescherming van het individu legde Trudeau in 1982 een 'Charter of Rights' in een nieuwe grondwet vast. Alle provincies tekenden, behalve Québec. Québec wilde ook collectieve rechten. Het wilde voor zichzelf in het bijzonder vastgelegd zien dat Québec een samenleving met een apart karakter is: une société distincte, om zodoende een grondwettelijke basis te hebben voor het instandhouden van de Franse taal. Maar ook om erkenning te krijgen, erkenning voor het feit dat Canada uit twee naties bestaat.

Volgens de vermaarde politiek filosoof Charles Taylor, geboren en getogen in Québec, kan in zijn provincie moeiteloos een aparte natie herkend worden. Het probleem is die andere natie. Engels Canada onderscheidt zich graag van de Verenigde Staten, maar dat was ongeveer hun enige identiteit. Daar is sinds Trudeau's Charter of Rights iets bijgekomen, een gemeenschappelijk liberaal ideaal, dat verdedigd moet worden. Ongeveer zoals men zich elders in de westerse wereld met de Rushdie-affaire plotseling zeer bewust werd van gedeelde politieke beginselen. En hier is het Québec dat met zijn eis van collectieve rechten de rest van Canada bewust maakt van het feit dat ze juist principieel alleen individuele rechten wil erkennen.

Toch zijn er nog pogingen ondernomen om Québec tevreden te stellen. Maar de akkoorden van Meech Lake, waarin inderdaad sprake was van een société distincte werden in 1990 door de twee dunbevolkte provincies Manitoba en Newfoundland niet gesteund en dus verworpen. In 1992 is er nog een referendum over de kwestie in heel Canada gehouden, en dat mislukte ook.

Alle data, onder indringende beelden, en met dreunende house-muziek ondersteund, worden bij verkiezingsbijeenkomsten van de ja-campagne op een groot scherm vertoond. Alle nationalisten koesteren hun historische rancunes, ze worden erdoor gevoed. Tegelijk zijn de Québecse nationalisten vaak timide en aanhankelijk, zoals die ene goeiige soevereinist die bezweert dat het hem echt aan het hart gaat. De andere Canadezen zijn z'n vrienden, heus, maar het kan niet anders. Die tweetaligheid in heel Canada, zoals Pierre Trudeau het wilde, dat is niet reëel, dat willen die Engelsen nooit.

Maar ze kunnen ook pinnig en verongelijkt zijn, net als die vrouw die klaagt dat de taal zo achteruit gaat. Er zijn wetten in Québec die francofone ouders en immigranten verplichten om hun kinderen naar franstalige scholen te sturen (in de praktijk heeft Québec zijn collectieve rechten wel degelijk). Maar dat helpt niet, zegt ze. Er zitten mazen in de wet. Immigranten vinden steeds weer manieren om er onderuit te komen en toch Engels te leren. Een onafhankelijk Québec zal de wetten aanscherpen, stelt ze met grimmige voldoening vast.

    • Martijn de Rijk