De meiden van België

DIANE DE KEYZER: Madame est servie. Leven in dienst van adel en burgerij 1900-1995

375 blz., geïIl., Van Halewyck Leuven, ƒ 44,90

Voor sommigen zijn de herinneringen aan de dagen van weleer gekruid met weemoed en dankbaarheid. Zo kreeg Liza Allebosch uit het Vlaamse Pajottenland 'een mooi, antiek kamertje' op dezelfde verdieping waar ook haar 'patrons' sliepen, maar in een andere vleugel van het kasteel. “Voor mij was het een luxe een kamer voor mij alleen te hebben. Thuis deelde ik een slaapkamer met drie of vier zussen. Op het kasteel had ik een kleerkast en een wastafel met lampetkan en voor het eerst in mijn leven een bed helemaal voor mijzelf”.

Anderen, zoals Justine Colma uit Moerzeke, kunnen niet anders dan met bitterheid terugblikken op hun dienstbetrekking, waarin ze zonder enig respect werden behandeld als slechts een 'sujet'. “Heel lang heb ik nog nachtmerries gehad over mijn werk als fille de quartier op dat kasteel. Ik droomde dat ik weer op die trap naar de kelderkeuken stond en dat ik pas van bij ons thuis kwam en weer voor een heel jaar in dienst moest. In mijn droom zag ik dan mijn handen helemaal onder het bloed van het parket schuren”.

Dienen

De lotgevallen van Liza Allebosch en Justine Colma zijn terug te vinden in het onlangs in België verschenen boek Madame est servie. Daarin vertelt de Vlaamse free-lance journaliste Diane de Keyzer het verhaal over het Leven in dienst van adel en burgerij in België vanaf 1900 tot heden. De Keyzer registeert cijfers en feitelijkheden over het werk van dienstmeiden, 'filles de cuisine', tafelknechten, gouvernantes, chauffeurs en tuinmannen, en ze wijdt uit over de maatschappelijke betekenis van 'het dienen' in Brusselse herenhuizen, op Vlaamse en Waalse kastelen en 's zomers in de buitenverblijven aan de kust.

Maar de bekoring van haar boek zit hem vooral in de directe journalistieke aanpak. “In het collectieve geheugen van mijn familie wemelt het van verhalen over gaan dienen of van contacten met hogere klassen”, aldus De Keyzer. Om over “dit verwaarloosde deel van onze sociale geschiedenis” te kunnen schrijven, heeft zij de afgelopen drie jaar meer dan negentig vrouwen en mannen ondervraagd, die vaak al op zeer jonge leeftijd hun ouderlijk huis verlieten om een nieuwe, voor hen totaal onbekende wereld binnen te treden. “Hooguit een paar dagen waren er om de kindertijd voorgoed achter te laten, te bedenken wat er in het valiesje moest”, schrijft De Keyzer. Hun persoonlijke, vaak indringende getuigenissen over “het leven ergens halverwege de zolderkamer, de diensttrap en de kelderkeuken” zijn op vrijwel elke bladzijde terug te vinden.

Wat bij al die verhalen steeds weer treft - of het nu om negatieve of om vaak ook positieve ervaringen gaat - is de enorme afhankelijkheid van het dienend personeel van hun werkgever en de willekeur waarmee men werd bejegend. “Akkoord, er moeten bazen zijn, maar ze zouden hun mensen menselijk moeten behandelen”, kreeg De Keyzer als verzuchting te horen. Clothilde Maes vertelde dat ze 's ochtends om zeven uur begon en 'normaal gezien' om tien uur klaar was. “Op een keer had ik de hele avond de legeruniformen van mijnheer gestreken. Om tien uur kon ik echt niet meer. Er was nog één broek niet gestreken en mijnheer moet dat gezien hebben, want hij kwam mij uit bed halen, om ook nog die laatste broek te strijken”.

Eenzijdig

Germaine Goossens was 17 jaar, ongeveer drie maanden in dienst, toen ze kokend water op haar been kreeg. “Ik had mij lelijk verbrand. Toch moest ik naar boven om het dessert op te dienen. Bij het afruimen, zei ik tegen madame dat ik mij verbrand had. Ik vroeg wat ik op mijn been kon doen, want het deed erg pijn. Toen ik zelf voorstelde er wat olie of boter op te doen, antwoordde mevrouw dat boter veel te duur was. Na het afdienen en na de afwas, mocht ik naar de apotheker om er op mijn eigen kosten een zalf voor brandwonden te kopen”.

Madame est servie is een tamelijk eenzijdig boek, in die zin dat er geen (voormalige) werkgevers of werkgeefsters aan het woord komen. Dat was geen bewuste opzet of gemakzucht van De Keyzer, maar bij haar zoektocht naar schriftelijke en mondelinge getuigenissen aan de 'andere' kant, stuitte ze op zoveel botte weerstand, dat ze haar pogingen tot 'wederhoor' heeft moeten staken. “Nergens kreeg ik de toestemming om met het huidige personeel te praten, dus heb ik het zonder medeweten van de patrons moeten doen. Als het aan de adel lag, zou dit verhaal nooit geschreven zijn. Noblesse oblige, vooral dan om te zwijgen”. Ook sommige 'meiden en knechten' wilden het verleden het verleden laten, omdat praten te veel pijn deed, aldus De Keyzer. “Omdat ik enkel kon luisteren naar mensen die wilden praten, ben ik ervan overtuigd dat de extreem negatieve verhalen niet tot bij mij geraakten”.

De Keyzer zegt dat ze haast heeft gemaakt met het schrijven van haar boek, omdat er nu nog gelegenheid was de laatste getuigen te interviewen, die als 'hard werkende toeschouwers' de belle époque van zeer nabij hebben meegemaakt. In een van de laatste hoofdstukken ('Zijn er dan geen meiden meer in de jaren 90'?) beschrijft ze hoe inmiddels een moderne generatie 'getuigen' aan de kost komt als huishoudelijk hulp, poetsvrouw of oppas in de villa's en herenhuizen van zakenlui en diplomaten in de rijke wijken van Brussel en de randgemeenten. Het gaat om vrouwen uit landen als Polen, Columbia, Peru en de Filippijnen die veelal illegaal in België verblijven, die zelf wonen 'in bouwvallige en overbevolkte huizen' van Turkse en Marokkaanse eigenaars in de arme wijken van Brussel en die hun zuurverdiende spaarcenten naar huis' opsturen.

Op zaterdagochtend, zo schetst De Keyzer, komen de bussen uit Polen aan met een nieuwe lading vrienden en familieleden van 'de documentlozen'. Haast elke kleine stad in Noord-Polen heeft een busmaatschappij die Brussel aandoet. Sommige nieuwkomers hebben een welbepaald economisch doel, zoals de bouw van een huis in eigen land, een auto of huishoudelijke apparatuur. Anderen willen eenvoudigweg ontsnappen aan armoede en werkloosheid, aan het ouderlijk gezag of aan de verveling van het platteland. Wat dat betreft is er niet zo heel veel veranderd ten opzichte van de jaren twintig en dertig, toen Tina Nijs haar ouderlijk huis verliet. “Zo een beslissing om te gaan dienen, trekt een draad door heel uw leven. Een eigen keuze voor een opleiding heb ik niet kunnen maken. Haatdragend ben ik niet maar ik bemin die rijke mensen toch ook niet. Ze profiteerden van de eenvoud van gewone mensen zoals mijn ouders en van de onschuld van de jeugd. Ze plukten mij gewoon uit de school en dat was dat”, getuigt ze.

    • Wim Brummelman