Carrières

Je hoort weleens meer van mensen die hun werk niet bepaald goed doen maar toch ook weer niet zo slecht dat ze daardoor geen 'promotie kunnen maken'. Het ligt dan in de Nederlandse vorm van menselijkheid om vast te stellen dat zoiemand toch behoorlijk zijn best doet, de boog niet altijd gespannen kan zijn, iedereen op zijn tijd zijn hand over zijn hart moet kunnen strijken. Dan zie je dat de man/vrouw die achter zijn rug een 'kneusje' wordt genoemd, al kneuzend zijn weg naar de top voortzet. Hoe hoger hij komt, hoe belangrijker zijn beslissingen worden, tenzij hij erin slaagt ieder ja en nee bijtijds te ontwijken. Zijn carrière wordt, meer dan die van mensen die wel in staat zijn tot het werk waarvoor ze zijn aangenomen, een kansspel. Heeft hij veine dan wordt hij zonder veel deuken en butsen 65. Hij krijgt een toespraak, nog een ridderorde en je hoort nooit meer iets van hem. Valt hij daarentegen voortijdig door de mand, maar laat genoeg om hoog genoeg te zijn gestegen, dan volgen opspraak, een regeling en misschien een 'gouden handdruk', gegeven door degenen die voor zijn opkomst verantwoordelijk zijn. Is de bevoordeelde in overheidsdienst dan kunnen we de kwitantie van zo'n afscheid beschouwen als de aflaatbrief, uitgereikt door de overheid aan zichzelf op kosten van de belastingbetaler. Niet de kneus verdient een nagekomen schervengericht (dat trouwens meer wordt ingegeven door afgunst dan rechtsgevoel, naar de schrille toon te oordelen), maar degenen die al kwakzalvend kool en geit hebben gespaard. (Hoe rijk is het Nederlands aan uitdrukkingen voor zulke technieken van het dagelijks leven).

Toevallig liep ik vanmorgen door de Oude Hoogstraat en de Damstraat, het traject dat de Walletjes met de Dam verbindt. Een uur of tien. Het was regenachtig, lauw najaar, niet om voor je plezier op straat te zijn. Toch was het al druk op deze handelsroute. Drie keer werd me nederwiet aangeboden en één meneer had pillen te koop. De vorige avond had ik in de krant gelezen dat Nederland op het gebied van de pillenfabricage op het ogenblik een wereldnaam te verliezen heeft en omdat deze straatventer er betrouwbaar uitzag besloot ik een praatje aan te knopen. 'Ik gebruik geen pillen,' zei ik. 'Maar nu we hier toch staan: hoe gaat het met de handel?'

Hij zag dat ik niet van de politie was, glimlachte, en antwoordde: 'Voor de wind!'

Van wat deze openhartige jongeman (ik schatte hem op een jaar of 25) me verder vertelde kan ik niet alles in de krant zetten omdat ik hem discretie heb beloofd. Maar zonder hem te belasten kan ik wel zeggen dat hij me een moderne carrièreplanner leek. Hij stelde zich voor, nog een half jaar in de straathandel te blijven. Dan leek hem zijn basis voldoende solide om het eens als informant te proberen. Hij wist daar zekere kanalen voor. Zou hij zich voldoende met dit nieuwe netwerk vertrouwd hebben gemaakt, dan was de tijd gekomen om zich met staatshulp het leven te redden. Veeleisend was hij niet. Twee miljoen leek hem veel te veel. Met de helft en een nieuw fraudebestendig paspoort kon hij zich al in Argentinië vestigen waar hij een sportschool wilde beginnen. Dat was van kindsbeen zijn ideaal geweest.

We namen afscheid, gaven elkaar de hand en ik liep verder, langs de roze porno-étalages, de winkel in messen, sabels en knuppels, de wisselkantoortjes, die bonte, vitale santekraam waardoor ze van heinde en verre naar onze hoofdstad komen, en zo bereikte ik de Dam. Op de stoep van mijn kantoor zat iemand met zijn hoofd tussen zijn knieën en op zijn schoenen een bord met de melding dat zijn gitaar de vorige dag was gestolen zodat hij nu moest wachten op het moment dat zijn pet weer vol genoeg was om een nieuwe te kunnen kopen. Ik stond het bedrag af dat ik hier geheim zal houden. Het lokaal waar ik werk lag oningebroken voor me, ik zette me aan mijn schrijfmachine en begon aan mijn stukje.

'Waar,' schreef ik, 'is Koos Zwart toch gebleven? Er komen steeds meer mensen die niet of niet meer weten wie Koos Zwart is. Eén van de pioniers uit de sixties. In Hans Righarts boek De eindeloze jaren zestig, waar de geschiedenis van het blad Hitweek wordt behandeld, lezen we op pagina 242: 'In de loop van 1966 voegt ook Koos Zwart zich bij het gezelschap, eerst als een soort klusjesman, later als de drugsspecialist.' Hij zet zijn loopbaan voort bij Aloha en de Vara-radio. Als participerend verslaggever neemt hij deel aan het popfestival in het Kralingse Bos waar voor de handhaving van de orde vier agenten zijn aanwezig zijn. Burgemeester Thomassen komt in gezelschap van zijn vrouw en de hond even kijken, of het blowen niet uit de hand loopt. De agenten worden door Zwart omschreven als 'gezellig swingende vogels met losse stropdassen.'

Voor het vervolg moeten we te rade gaan bij James C.Kennedy, in zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw, Nederland in de jaren zestig. Daar staat op pagina 139: 'In het begin van de jaren zeventig hield de presentator van het VARA radioprogramnma Beursberichten, Koos Zwart, de luisteraars op de hoogte van de lokale cannabisprijzen, een fenomeen dat veel aandacht in de internationale pers ontving.' Kennedy citeert dan uit een artikel van Jan Haasbroek in de Groene van 5 juli 1969, een reportage over Paradiso: '...rook rustig je stickje. Af en toe danst er wel een bloot, mooi beschilderd meisje dat daar plezier in heeft. Misschien heb je zelf meer pret in een discussie met Ton Regtien of Bram de Swaan.'

Waarover zou die discussie toen gegaan zijn? Waar zijn de gezellig swingende vogels van Nieuw Babylon gebleven? Weisst du noch, weisst du noch, wie wir lebten in ein Mausenloch ?

    • S. Montag