Bedrijven keren zich tegen apart kledingkeurmerk

ROTTERDAM, 28 OKT. De Nederlandse kledingconcerns willen geen keurmerk invoeren voor kleding die “onder sociale arbeidsomstandigheden” is vervaardigd. De vakcentrale FNV bepleit een dergelijk keurmerk, waaruit moet blijken dat kleding bijvoorbeeld niet door kinderen of dwangarbeiders is gemaakt.

De FNV voert gesprekken met de Vereniging van Grootwinkelbedrijven in Textiel (VGT), om te komen tot een richtlijn voor 'sociaal verantwoord' geproduceerde kleding. Tijdens een congres hierover zei de secretaris van de VGT, J. Fokke, dat het voor winkels onmogelijk is een keurmerk af te geven. “Je kunt niet voor elk produkt dat je verkoopt de garantie geven dat het voor honderd procent op een verantwoorde manier gefabriceerd is”, aldus Fokke. Hij wijst hierbij op het werken met tussenpersonen en onderaannemers, wat in de branche gebruikelijk is. Controle zou daardoor praktisch onmogelijk zijn.

J. Breed, woordvoerder van kledingconcern C&A Nederland, zegt desgevraagd dat zijn bedrijf “mordicus tegen kinderarbeid” is. “Een keurmerk klinkt in theorie heel erg goed”, maar de effectiviteit ervan is volgens hem gering. Elke leverancier zou gecontroleerd moeten worden.

Breed zegt dat C&A met leveranciers “zwart op wit” afspreekt dat hij geen gebruik maakt van kinderarbeid. “We zeggen: dit zijn onze voorwaarden waar u zich aan moet houden, anders is het einde contract.” Drie maanden geleden heeft C&A de contracten met twee grote leveranciers opgezegd, omdat hun kleding door kinderen werd gemaakt, aldus Breed.

Eerder dit jaar publiceerde de FNV een actieprogramma om kinderarbeid uit te bannen. Hierin pleit de vakorganisatie onder meer voor “boycotacties tegen bedrijven of produkten” waarbij sprake is van kinderarbeid. “Bij deze acties zal steeds zorgvuldig aandacht worden geschonken aan de gevolgen voor de kinderen die getroffen worden door de boycot”, aldus het programma. Volgens FNV-woordvoerder H. Lindelauff dreigt anders het gevaar dat kinderen worden ingezet worden in de industrieën die niet voor de export produceren.

De internationale vakbonden pleiten doorgaans voor handelsmaatregelen, terwijl ontwikkelingsorganisaties liever zien dat in de producerende landen zelf maatregelen worden genomen, zoals het opzetten van scholingsprogramma's voor kinderen.

Volgens schattingen van de VN-arbeidsorganisatie ILO zijn er op de wereld ongeveer tweehonderd miljoen kinderen die de hele dag moeten werken om het gezinsinkomen aan te vullen. Maar volgens een medewerker van de Internationale Werkgroep voor Kinderarbeid zijn er alleen al in India 115 miljoen kinderen werkzaam in bijvoorbeeld de mijnbouw, de kledingindustrie en in tapijtfabrieken.

In Afrika, waar één op de drie kinderen werkt, komt kinderarbeid relatief het meest voor.