Achttiende-eeuws 'verlakker' afgestoft

Tentoonstelling: Egbert van Drielst. T/m 12/11 in Dordrechts Museum, Museumstraat 40. Open: di. t/m za. 10-17 uur, zo. 13-17 uur.

Hij heeft hard gewerkt, veel behangsels en schilderijen gemaakt, maar helaas er is weinig van zijn oeuvre bewaard gebleven. Het Dordrechts Museum kan dus nauwelijks laten zien waarmee Egbert van Drielst (1745-1818) zijn brood verdiende, met de behangselkunst, een vorm van decoratieschilderkunst die sterk aan modes onderhevig was en daarom grotendeels uit het zicht is verdwenen.

Alleen een grote kijkdoos in de laatste museumzaal onthult nog iets over het type wandversiering dat in 18de-eeuwse interieurs rijkelijk was te vinden. Wie door het ruitje tuurt ziet hoe de muren van het vertrek worden ingenomen door idyllische landschappen met keuvelende reizigers, een man met een ezeltje en een visser aan de waterkant.

De produktie van dergelijke wandvullende doeken beleefde hoogtijdagen in de tweede helft van de 18de eeuw. Behangsels werden vaak in teamverband gemaakt waarbij specialisten verschillende onderdelen als bomen, mensen en dieren voor hun rekening namen. Later moesten veel van deze schilderingen wijken voor nieuwe trends, niet in de laatste plaats het papieren behang, en daardoor zijn er helaas veel verloren gegaan.

Aanvankelijk werkte Egbert van Drielst als 'verlakker', daartoe opgeleid op een Groningse fabriek waar houten 'lakwerk' werd gemaakt. Op zestienjarige leeftijd reisde hij samen met de zoon van de directeur naar Haarlem om zich verder in het schildersvak te gaan bekwamen. En eenmaal volleerd, verdiende hij vooral de kost als behangselschilder. Behalve een enkel verdienstelijk behangsel en een handvol schilderijen, bestaat de nalatenschap van Van Drielst nu nog voornamelijk uit tekeningen. Vele honderden heeft hij er gemaakt op zijn reizen door Nederland.

Op initiatief van het Drents Museum en het Dordrechts Museum wordt deze onbekende kunstenaar terecht 'afgestoft'. De tentoonstelling toont veel levendige, boomrijke landschappen. Het is aangenaam toeven in deze bossen; het zonlicht sijpelt tussen de takken door, de bladeren ritselen en het mos ligt er uitnodigend zacht bij. Idyllische, soms een beetje truttige, plattelandstafereeltjes worden afgewisseld door werken die krachtiger en realistischer ogen. Verrassend sterk is het schilderij Vervallen buurtje, opgediept uit het depot van het Haags Gemeentemuseum. Het uit 1809 stammende doek laat een huisje zien dat aan alle kanten gestut wordt om instorting te voorkomen. Het felle zonlicht dat op de verweerde buitenmuur weerkaatst wist Van Drielst intens en prachtig weer te geven.

De kans is groot dat dit bescheiden meesterwerkje bij terugkeer in Den Haag weer levenslang naar de kelder wordt verbannen, want Van Drielst en zijn tijdgenoten zijn de stiefkindjes van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Want de meeste kunsthistorici jagen met zevenmijlslaarzen door de achttiende heen. Goed beschouwd is die onderbelichte periode nog groter. Standaardwerken over kunst in de Gouden eeuw houden het ná 1680 voor gezien; terwijl de romantische schilderschool pas in het tweede kwart van de negentiende eeuw weer wat aandacht weet te trekken.

Dat een periode van bijna anderhalve eeuw in het vergeethoekje is geraakt valt gemakkelijk te verklaren: de achttiende eeuw steekt kwalitatief en kwantitatief nu eenmaal een beetje flets af bij de hoogstaande schilderprestaties in de Gouden eeuw. Maar waar aan de 'kleine' 17de-eeuwse meesters tenminste nog een plaatsje in de schaduw van Rembrandt, Hals en Vermeer wordt toebedeeld, zijn 18de-eeuwse kunstenaars als Van Drielst, Jan Ekels en Wouter van Troostwijk kopje onder gegaan.

“Achttiende-eeuwse Nederlandse kunstenaars worden veronachtzaamd”, stelt museumdirecteur J.M. de Groot. “Hun werk is nooit systematisch verzameld en voor zover ze in museumcollecties vertegenwoordigd zijn is dat vaak een kwestie van toeval. Dat geldt zelfs voor het Rijksmuseum.” De Groot noemt Van Drielst een 'pre-romanticus': “Hij maakt deel uit van een groepje kunstenaars dat in de tweede helft van de achttiende eeuw weer wat realistischer begon te schilderen en te tekenen.”

Dat Van Drielst in de subtitel van de tentoonstelling een 'vernieuwer' genoemd wordt is een tikje overdreven. Daarvoor borduurde hij te zeer voort op 17de-eeuwse motieven. Met name in zijn schilderijen valt de invloed op van Meindert Hobbema (1638-1709). In zekere zin vormt Van Drielst de 'missing link' tussen diens fris geboende landschappen en het werk van romantici als Barend Cornelis Koekoek waarin de bossen er altijd weer paradijselijk bijliggen in de ondergaande zon.

    • Erik Spaans