200 jaar Institut de France, bolwerk van kunst en wetenschap; De universele schatkamer van Frankrijk

Wat beweegt weldenkende mensen om een geborduurd rokkostuum en een degen voor 60.000 gulden te laten maken om aan een woordenboek te mogen werken dat nooit af is? De Académie française is een onderdeel van Het Institut de France, dat deze week twee eeuwen bestaat. Een excursie in het heiligdom van de Verlichting: hoe een modern Europees land de toekomst aandurft met idealen uit de 17e eeuw. De eredienst van Frankrijk.

Een antiek gestucte zaal, witte borstbeelden en geschilderde portretten. Heren en een enkele dame zoeken hun plaats achter met vilt beklede tafels. De 'Académie des sciences morales et politique' komt in wekelijkse vergadering bijeen. De normale haarkleur van de leden is wit. De beraadslagingen zijn openbaar, maar bijna niemand weet dat. Verlichting en Voorlichting hebben geen raakvlakken.

De historicus Emmanuel Leroy-Ladurie woelt in het jongensachtig verwarde haar. Met zijn vrije hand droedelt hij op de achterkant van de agenda voor deze maandagmiddag. De gastspreker weet alles van internationaal arbeidsrecht. Jean de Larosière, van '78 tot '86 president van het Internationaal Monetair Fonds en nu directeur van de Europese Ontwikkelingsbank in Londen, ook lid van deze academie, stelt er na afloop een briljante vraag over.

De spreker antwoordt uitvoerig, zonder overigens op de vraag in te gaan. De discussie ontaardt geen moment in een debat. Het gesprokene wordt later gepubliceerd, maar wie zal het lezen? Waar het om gaat is: lid zijn van een van de vijf academies, liefst de Académie française - dan zet men achter zijn naam 'de l'Académie française'. Als je lid bent van een van de vier andere academies staat er achter je naam 'membre de l'Institut', ook al ben je verder hoogleraar, directeur of president van de wereld.

De secrétaire perpétuel van de academie, oud-minister-president Pierre Messmer kijkt waardig vanaf zijn verhoog. De jongste der vijf academies spreekt haar woordje mee. Elite is in Frankrijk geen woord dat excuses oproept. De leden kennen elkaar. Zij zouden wel wat vaker door de regering om advies gevraagd willen worden. Per slot zijn zij historici, zakenlui en rechtsgeleerden met een leven vol ervaring. Maar goed, lid zijn opent deuren. Er is geen bar en geen eetzaal, maar het niveau is aanmerkelijk beter dan bij de Rotary.

Richelieu

Schuin tegenover het Louvre ligt aan de linkerzijde van de Seine het Institut de France. De Passerelle des Arts, de oudste ijzeren voetbrug over de Seine verbindt de twee uniek-Franse instellingen. Het Institut de France is sinds 1805 in het voormalige Collège des Quatre Nations gevestigd. Dezer dagen glanst het halfronde gebouw onder de bekende Coupole van alle aandacht die het tweehonderdjarig bestaan oproept. Het 'parlement van denkend Frankrijk' wil graag begrepen worden. Daarom zet deze besloten club van 256 heren en zeven dames de deur tijdelijk op een kier.

Het Institut de France jubileert. Reden voor de leden om welwillend te vergeten dat het Institut eigenlijk een eenheidshuls is waarin de Franse Revolutie de vroegere Koninklijke Academies uit de 17e eeuw heeft geperst. De revolutionaire 'Convention' moest niets hebben van de 'ongeneeslijk aristocratische' academies en hief de academies in 1793 op, maar op de 3 Brumaire van het jaar III, oftewel 25 oktober 1795 werden zij alweer heropgericht als 'de klassen' van het Institut de France.

De Académie française was onder Lodewijk XIII in 1635 door kardinaal Richelieu opgericht. Tijdens de regering van Lodewijk XIV stelde Colbert de meeste andere academies in: de Académie des Inscriptions et Belles Lettres (oudheid, middeleeuwen, renaissance en oriëntalistiek) in 1663, de Académie des sciences in 1665 en de latere Académie des beaux-arts (oorspronkelijk de schilder- en beeldhouw-academie van 1648 en de architectuur academie van 1671). In 1795 werd de Académie des sciences morales et politique aan de andere vier toegevoegd.

De Revolutie veranderde de academies niet blijvend van karakter. Frankrijk heeft kennelijk behoefte aan hoge instellingen waarin wetenschap en kunst worden samengebracht. In dit uiterst politiek denkende land is plaats voor mensen die zich onafhankelijk kunnen uitspreken over wat dit volk bijeen houdt: de liefde voor zijn eigen brille, met taal en met ideeën.

De academies hebben zichzelf overigens constant hoger aangeslagen dan de rest van de Fransen. De deftigheid van de académiciens heeft vaak aanleiding gegeven tot onverschilligheid of spot. De meest besproken herberg van Franse virtuositeit is de Académie française, de oudste en de meest prestigieuze van de vijf academies. Die waakt over de Franse taal, en daarmee over de eenheid en het karakter van Frankrijk.

Daniel Oster is een van de handvol medewerkers van deze academie. Hij is schrijver en werkt aan de universiteit, maar zijn hoofdbaan aan de Académie française cijfert hij weg. “Ik ben niets, hoogstens een deeltje van het systeem.” Met des te meer vuur vervult hij de in zijn ogen onmogelijke missie de betekenis van de Académie française te schetsen: “Er zijn vijf dikke delen nodig om het werk van de Académie française uit te leggen. De Académie française is een gedachte. Er is geen onderscheid tussen de Académie française en die hoge gedachte.”

De academie werkt sinds haar oprichting aan een woordenboek van de Franse taal. Hoe verloopt die arbeid van dag tot dag?

“Dat is een verhaal van 48 uur. Het is even onmogelijk daar op te antwoorden als wanneer u me vraagt: 'zeg iets over de zeventiende eeuw'. Ik kan niet over de praktijk van nu spreken zonder eerst de geschiedenis van de Académie française te vertellen. Pierre Nora heeft het zo knap gezegd: de Académie française is een 'lieu de mémoire'. Zonder verleden is er geen heden.”

De leden van de Académie française komen, buiten de vakanties, iedere donderdag in besloten zitting bijeen. Een commissie uit hun midden werkt 's morgens aan voorstellen waar de voltallige academie 's middags over kan spreken. Sinds de oprichting in 1635 is de opdracht onveranderd gebleven: 'met alle zorg en ijver regels vaststellen om de Franse taal zuiver en welluidend te maken, geschikt voor het beoefenen van kunsten en wetenschappen'. Eén taal om er één volk van te maken. Drieëneenhalve eeuw geleden woonden de bewoners van Picardië, Normandië en de Languedoc nog verder van elkaar dan nu.

In de eerste uitgave van het woordenboek (1694) stonden 17.000 woorden verklaard. In 1935 kwam de achtste editie uit. Sindsdien wordt aan de negende gewerkt. Het eerste deel daarvan is in 1992 verschenen: A tot en met Enzym. Men is inmiddels gevorderd tot de letter M. De negende editie zal 50.000 woorden tellen. Het kunnen er ook een paar meer zijn, dat hangt af van de acceptatie van woorden die tot nu toe te nieuw of te onfrans werden bevonden. Drugstore heeft het de vorige keer gehaald, software zal het weer afleggen tegen logiciel.

Oster: “Het is een uniek project. De oorspronkelijke opdracht was niet simpelweg te waken over de Franse taal, maar haar te vormen. De Académie française had tot taak één gemeenschappelijke, nationale en minimale taal te construeren, een gebruikstaal voor alle burgers. Dat gold in de 17e eeuw. Aan de actualiteit van dat project is geen iota veranderd. Men wilde een taal construeren die eenheid bracht. De Grondwet bepaalt dat Frans de taal van de Republiek is. Dat illustreert de band tussen het politieke systeem en de taal. Sinds haar instelling waarborgt de Académie française het niveau en de continuïteit van het Frans: een taal kent geen revoluties, de koning kan worden afgezet, maar er ontstaat geen breuk in de taal.”

Oster: “Het moest de taal zijn van 'l'honnête homme', de zinnige niet-specialist aan het hof, een man met gevoel voor literatuur en normaal spraakgebruik. Taal heeft niets natuurlijks, het is niets anders dan een code. Taal is denkbeeldig, taal is beschaving, taal is ook hoffelijkheid. De Franse taal is cultureel, politiek en sociaal van belang: alleen als alle Fransen het zelfde Frans leren kan er sprake zijn van gelijke kansen. Dat is het uitzonderlijke en het geniale van de opdracht van de Académie française.”

Maurice Druon, de secrétaire perpétuel van de Académie française, bevestigde vorig jaar met zijn 'Lettres aux Français' zijn rol als de taalbovenmeester van het land. Hij illustreert de internationale roeping van de Franse taal door te wijzen op de heilloze onenigheid in het Midden-Oosten over de teruggave van 'occupied territories' in VN-resolutie 242.

In het Frans had er volgens hem zeker des of de territoires gestaan, waarmee meteen duidelijk was geweest of het om alle of een aantal bezette gebieden gegaan zou zijn. “Het had mensenlevens gespaard als de tekst in het Frans was opgesteld”.

Verwantschap

Een gebouw om voorbij te lopen in het vijfde arrondissement van Parijs. Het staat niet toevallig aan de Rue Pierre et Marie Curie: hier wordt de moleculaire biologie beoefend. Een door de jaren getekend laboratorium. Op de eerste verdieping staan in de gangen her en der diepvrieskisten waarin de raadselen van het leven liggen te wachten. Overal flessen en slangen, reageerbuizen die machinaal worden geschud. Mannen en vrouwen met openhangende laboratorium-jassen lopen in gestrekte draf achter elkaar aan.

In een stille, hoge kamer zit Marianne Grunberg-Manago een redevoering over het belang van Pasteur te schrijven. Zij moet de volgende dag naar Rusland, waar zij vierenzeventig jaar geleden in Sint-Petersburg werd geboren. Hoewel zij als baby van negen maanden met haar ouders naar Frankrijk emigreerde, spreekt zij de taal van haar geboorteland nog vloeiend. Zij gaat vaak terug. Om te helpen: “Veel belangrijke ontdekkingen in Franse laboratoria worden door (ex-) Russen gedaan. Nu hebben zij daar onze hulp hard nodig. Wij doen met beperkte middelen veel voor arme landen, Costa Rica, het Oostblok, Afrika.”

Professor Grunberg is president van de Académie des sciences, een volstrekt andere academie dan de vier overige binnen het Institut de France. Ook al heeft Cardin voor haar een speciale versie van het beroemde kostuum ontworpen (350 borduururen), haar 137 leden staan met beide benen in de voorhoede van het natuurwetenschappelijk onderzoek. “De meesten hebben het druk met hun eigen onderzoek en deze academie. Onze betrekkingen met de andere academies zijn minder belangrijk”, zegt mevrouw Grunberg, “Ik probeer de banden wat aan te halen nu het Institut 200 jaar bestaat. Er zijn natuurlijk raakvlakken, bijvoorbeeld met de Académie des sciences morales et politique wanneer het gaat over het verband tussen wetenschap en ethiek. En wat betreft de Académie des beaux-arts: ik voel mij als wetenschappelijk onderzoeker sterk verwant aan een kunstenaar. Het Institut de France staat niet boven ons. Dat is vooral een bijzonder gebouw, erfgenaam van bijzondere monumenten in het hele land.”

De Académie des sciences weigerde begin deze eeuw de dubbele Nobelprijswinnaar Marie Curie (1903 natuurkunde en 1911 scheikunde) toe te laten, en ook haar dochter Irène Joliot-Curie (Nobelprijs 1935) werd nooit lid. Pas in 1979 werd de eerste vrouw toegelaten. Intussen zijn er vier vrouwen op de 137 leden. “Daarmee hebben wij het hoogste percentage vrouwen van alle vijf academies”, zegt Grunberg glimlachend. De vijf academies tellen zeven vrouwen. In de dictionnaire van 1878 werd de vrouw ook nog gedefinieerd als 'de metgezellin van de man'.

Marianne Grunberg-Manago: “Dat wordt wel beter. Er werken veel vrouwen in de wetenschappelijke instituten van Frankrijk, maar weinig aan de top. Zij houden niet zo van het zoeken naar geld, het vergadercircuit. Zij doen vaak liever goed wetenschappelijk onderzoek. Ik geloof niet dat het een kwestie van discriminatie is. Ik heb in ieder geval nooit last gehad van het feit dat ik vrouw ben.”

Professor Grunberg is lid van een waslijst vooraanstaande academies in binnen- en buitenland. Als jong onderzoekster was zij in de jaren '50 al betrokken bij het baanbrekend onderzoek in New York waar de moleculair bioloog Severo Ochoa de Nobelprijs voor kreeg. Grunberg ontdekte toen het polynucleotide fosforylase-enzym. Zij heeft ook veel speurwerk gedaan op de verwante terreinen van biochemie en genetica en heeft honderden publikaties op haar naam. Voor haar is de Franse taal daarbij mooi maar geen levensvoorwaarde.

“Ons vak is erg internationaal. Er is geen specifiek Franse onderzoeks-mentaliteit of -aanpak. Ik schrijf veel in het Engels, al houd ik vaak toespraken in het Frans. In de biologie is Engels nu eenmaal de internationale taal. Dat is jammer maar zo is het. Het heeft geen zin alles toch in het Frans te publiceren. Ik draag de francofonie een warm hart toe, maar de beste reclame voor de Franse wetenschapsbeoefening is dat ons werk snel bekend raakt en dus wordt gepubliceerd.”

Hofversierders

In 1797 werd een jong generaal verheven tot het lidmaatschap van de Académie des sciences, in de afdeling mechanica. Toen hij later voor zijn werk naar Egypte moest, tekende hij al zijn proclamaties met 'Bonaparte, de l'Institut'. Het tekent het belang dat hij hechtte aan zijn lidmaatschap. Het niveau dat hij bij de Académie des sciences morales et politique ontwaarde, boezemde hem zoveel angst in dat hij ze verbood.

Tevergeefs: in 1832 ging ook deze academie weer gewoon aan het werk.

De Académie des beaux-arts was vroeger een gezelschap huismuzikanten en hofversierders van de koning. Vooral Frankrijks muziekgeschiedenis is uit de historische ledenlijst moeiteloos af te lezen: van Lully en Rameau via Berlioz, Saint-Saëns, Gounod en Fauré tot en met Milhaud, Honegger, Messiaen en Xenakis. Bij de schilders en beeldhouwers is het iets minder gelukt. Naast bekende cineasten zijn ook de mimekunstenaar Marcel Marceau, mode-ontwerper Cardin en (sinds maart) de danser Maurice Béjart opgenomen. Tot de buitenlandse 'associés' behoren Mstislav Rostropovitz, Andrzej Wajda, Peter Ustinov, Andrew Wyeth en Ieoh Ming Pei. En vroeger mensen als Chirico en Fellini.

De leden van de vijf academies hebben in de loop der tijd dertig Nobel-prijzen verzameld, voornamelijk in de Académie des sciences. “Het zullen er zonder twijfel meer zijn wanneer de Nobel Stichting zelf zijn tweehonderdste verjaardag viert”, merkte president Chirac fijntjes op tijdens een plechtige zitting ter ere van het tweehonderjarig bestaan - dit keer in de Sorbonne, omdat onder de befaamde koepel van het Institut niet al haar leden kunnen zitten. Tot de huidige Nobelprijswinnaars behoren de académiciens Georges Charpak, Pierre-Gilles de Gennes, Jean-Marie Lehn, François Jacob, Jean Dausset en Maurice Allais.

Geheime stemming

De Académie française is altijd de bijzonderste van het vijftal geweest. Daar zorgden de leden en de verhalen wel voor. Een paar hoogvliegers uit de meer gespecialiseerde academies hebben de hoge eer bereikt óók te worden toegelaten tot de Académie française: de historicus Georges Duby, de helleniste Jacqueline de Romilly en de filosoof Jean Guitton.

Over de toelating van de nieuwe leden tot de Académie française zijn altijd rellen geweest. Formeel stelt men zich kandidaat, maar in werkelijkheid worden ongewenste kandidaturen afgestraft bij de geheime stemmingen. Anderen, zoals Marguérite Yourcenar, waren welkom maar hadden een verkeerd paspoort - zij was in 1947 tot Amerikaanse genaturaliseerd. Toen haar installatie in 1980 achter de rug was, heeft zij nooit meer een voet in de Académie gezet en geen letter aan het woordenboek bijgedragen. Pijnlijker is de slepende benoeming van de Spaanse oud-verzetsstrijder en -minister Jorge Semprun. Hij heeft decennia in Frankrijk gewoond, schrijft in het Frans, maar haalt de horde niet. Volgens sommigen meer vanwege zijn communisme dan zijn Spaanse nationaliteit.

En toch heeft de Académie française een variëteit aan achtergronden die dit gezelschap van veertig 'onsterfelijken' iets universeels geven. Toen de vorst de leden nog aanwees waren het vooral getrouwe prelaten en geletterde grands seigneurs. Gaandeweg kwamen er meer schrijvers, historici en tegenwoordig ook journalisten (Bertrand Poirot-Delpech van Le Monde bijvoorbeeld). Grote figuren van vroeger: Voltaire, Cocteau, Aron, Montesquieu, Pascal, Rousseau, Molière, Clémenceau, Bergson en Braudel. Niet-literaire leden van nu: historicus Maurice Schumann, duikbootcommandant Jacques-Yves Cousteau, Ruslandkundige Hélène Carrère d'Encausse, antropoloog Claude Lévy-Strauss en oud-premier Michel Debré.

Altijd speelde het risico van conformisme aan de heersende macht, de Académie française is nu eenmaal 'un grand corps d'état', en de leden krijgen een zij het bescheiden vergoeding - nu 500 gulden per maand. In de 17e en vooral de 18e eeuw bloeide deze 'Kerk der Verlichting'. In perioden waarin Frankrijk werd verscheurd bleef de Académie française niet achter. Dat was tijdens de Algerijnse Oorlog zo, en zeker tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maarschalken waren nu eenmaal automatisch lid, ook Pétain - de academie telde heel wat sterfelijken die het bewind van Vichy volgden. Zoals eerder Emile Zola geen lid kon worden omdat hij het voor Dreyfus opnam.

Het woordenboek verschijnt af en toe met een nieuw supplement. Maar geen enkele buitenstaander kent de kwaliteit van de discussies in de Académie française. Zou het niet fascinerend zijn als ook die beraadslagingen openbaar zouden zijn? Daniel Oster: “De vergaderingen van de ministerraad zijn ook niet openbaar.”

Reception

De jurist Jean Foyer is dit jaar president van de Académie des sciences morales et politique, waar economen, historici, filosofen, sociologen en andere nieuwlichters elkaar wekelijks ontmoeten. Bekende buitenlandse buitenleden zijn Léopold Senghor, Ronald Reagan, prins Charles, Vaclav Havel en Carl-Friedrich Weisäcker. Een enkel lid, zoals De Gaulle's voormalige rechterhand Alain Peyrefitte is ook lid van de Académie française.

Foyer: “De Académie française heeft een iets ander régime dan de andere academies. Dat is de oudste. Die beschouwt zich als de belangrijkste en de meest eminente. Die academie heeft nooit geaccepteerd dat zij wordt geassocieerd met de vier andere academies binnen het Institut. Dat is al tweehonderd jaar zo. Bij de Académie française leeft men met het idee dat daarin de grootste geesten van het land zijn verenigd. In de andere academies zitten weliswaar opmerkelijke lieden op hun eigen vakgebied, maar toch niet van hun statuur, hun aura.

“De opdracht van de Académie française was de Franse taal bijhouden, steeds opnieuw een woordenboek maken. Dat is veel werk. Zij beheren bovendien veel stichtingen die prijzen uitloven, ook op terreinen waar de andere academies zich mee bezig houden, zoals de geschiedenis en de filosofie. Daar gaan we niet over in discussie, we zijn elkaars concurrenten niet. De Académie française organiseert verder bijeenkomsten waar nieuwe leden in haar 40-koppig midden worden geïnstalleerd. Die 'réceptions' nemen een grote plaats in op de kalender van de Franse society. Zij vinden plaats in de zaal onder 'la coupole'. Dat is de voormalige kapel van het Collège des Quatre Nations waar alle academies hun plechtige bijeenkomsten hebben, maar de Académie française doet alsof die zaal van hun is. De gewone zaal voor werkbijeenkomsten, verderop in het gebouw, is door Louis Philippe voor de Académie française en voor onze academie gebouwd. De andere drie delen de andere 'werkzaal'. Wij hebben dit jaar een plechtige zitting onder de koepel gehouden over Oost- en West-Europa. Zo zullen er meer volgen, eind december bijvoorbeeld over de aanstaande hervorming van de Europese instellingen.”

Is Frankrijk het doel dat de Académie des sciences morales et politiques dient? “Wij zijn er in de eerste plaats ten dienste van de 'sciences morales et politiques'. Die kunnen van belang zijn voor Frankrijk, maar dat is niet ons eerste oogmerk.”

Brille

Vier schooljongens mochten in juni het Institut de France van binnen zien en alles vragen wat zij wilden. Een camera van France 3 volgde hen. “Voelt u zich niet een beetje belachelijk in dat pak?” vroegen zij een lid van de Académie des beaux-arts. Waarop de beeldhouwer in kwestie, Jean Cardot, antwoordde: “Een beetje wel, maar als ik jouw T-shirt zie, niet meer.”

Staande in de prachtige Bibliothèque Mazarine vroegen de vier aan Bertrand Poirot-Delpech wanneer dat woordenboek nu eens af was, en waar al die moeite goed voor was. Er zijn er toch genoeg? “Wij zijn er om te zorgen dat iedereen alles kan zeggen wat hij wil. Taal is de school van de vrijheid.” Een jaar geleden ging deze journalist 'de l'Académie française' bij de viering van 300 jaar woordenboek iets verder. Toen formuleerde hij “de overtuiging dat woorden een onvergelijkelijk middel blijven om de wereld te bezitten.”

Presentator Jean-Marie Cavada kon tijdens een tv-zitting van het Institut onder de heilige Coupole niet nalaten aan het verzamelde academie-gezelschap te vragen: “Is dit geen plek van occulte macht, waar u aan uw geheim netwerk borduurt?” Vòòr de 'kanselier' van het Institut, de componist Marcel Landowski kon zeggen: “Dit is vooral een plaats van reflectie, een parlement van de wereld van de kennis”, viel oud-premier Messmer al in met “Dit is een plek waar kracht samenkomt, niet macht, hoogstens tegenmacht.”

Niet overal wordt dit zo gevoeld. Daniel Oster van de Académie française: “Het Institut dat was de Verlichting. Het komt voort uit het idee dat men de totaliteit van het weten en de kunsten kan organiseren. Dat is een utopie. Het heeft niet veel met de Académie française te maken. Het Institut is niet de som van de vijf academies, maar het blijft een interessant idee.”

Marc Fumaroli, de hoogleraar in de retorica die in maart ten langen leste werd gekozen als opvolger van Eugène Ionesco, heeft het nog gaver gezegd. Volgens hem schuilt 'de eeuwige betekenis' van de Académie française in die “functie als kruispunt waarop alle specialiteiten toegang krijgen tot de welsprekendheid, om zich te verheffen van hun laboratoria tot het forum van de geest”.

In zijn essaybundel 'Trois Institutions littéraires' (Gallimard, 1986) schrijft Fumaroli: “Als er één echt Frans ontmoetingspunt is, dan is het wel de genialiteit van de Franse taal (...) die tegenstellingen overbrugt, door zachtheid en helderheid, het onbestemde en de rede, het vrouwelijke en het mannelijke in zich te verenigen.”

De koepel, waar iedereen toch heel graag onder wil zetelen, is van buiten rond en van binnen ovaal. Een beter symbool van het subtiele verschil tussen aanzien en inhoud is nauwelijks te vinden. De stoelen onder de koepel zijn in twee kleuren bekleed, groen voor de académiciens, grijs voor het publiek (dat genodigd moet zijn ook al heet een 'scéance solennel' openbaar). Voor alle aanwezigen geldt dat de akoestiek ronduit abominabel is. Tot overmaat van ramp staat de spreker achter de academische toehoorders opgesteld.

Het deert niemand. Het lidmaatschap is meer dan het deelnemen aan een debatingclub of een woordenboek-commissie. Frankrijk is een idee. De wijzen van het Institut de France belichamen dat idee. Met hun brille, hun ijdelheden, hun liefde voor een goed gestoffeerd ritueel. Bombarie uit nationale onzekerheid? Of het zelfvertrouwen van een werkelijk grote natie?

Frankrijk bezit (in de woorden van Jean Giraudoux) “een beschaving waar zij geen eigenaar van is, maar waar zij wel verantwoording voor draagt tegenover het universum”. Zeker de Académie française voelt zich de hoeder van de 47 francofone landen op aarde. Zoals de secretaris voor het leven, Maurice Druon, het uitdrukt: “Wij zullen ons nooit neerleggen bij het dictaat van de dollar over de cultuur.”