'Witte de With moet een brug zijn tussen kunst en publiek'

De Spanjaard Bartomeu Marí treedt op 1 november aan als directeur van Witte de With in Rotterdam. Hij volgt Chris Dercon op, die van Witte de With in een paar jaar een spraakmakend centrum voor hedendaagse kunst maakte. Marí wil het beleid van Dercon voortzetten, maar introduceert ook nieuwe dingen. “Ik wil jongeren naar Witte de With trekken.”

Vijf jaar bestaat Witte de With nu, en in die vijf jaar heeft directeur Chris Dercon een groot aantal vooral jonge kunstenaars gepresenteerd in zowel speelse als erudiete tentoonstellingen. Die zorgden er, samen met catalogi, cahiers en discussieavonden, voor dat Witte de With al snel niet meer was weg te denken uit Rotterdam, Nederland en Europa. Dercon maakt nog twee tentoonstellingen in Witte de With voor hij op 1 januari directeur van museum Boymans-Van Beuningen wordt. Hij wordt opgevolgd door de Spanjaard Bartomeu Marí (Ibiza, 1966), die al op 1 november in dienst treedt. Vandaag presenteert hij in Rotterdam zijn tentoonstellingsprogramma. Marí, die in Barcelona filosofie studeerde, was conservator van de Fondation pour l'Architecture in Brussel en het museum van de provincie Valencia. Hij organiseerde exposities over onder anderen Marcel Broodthaers, Herman Pitz en Lawrence Weiner, kunstenaars die ook in Witte de With hebben geëxposeerd. In Valencia is nu een mede door Marí georganiseerde tentoonstelling over Francis Picabia te zien. Anders dan Dercon is de jonge Marí een voorzichtig denker die, voorlopig nog in het Engels, liever vragen stelt dan antwoorden geeft.

In maart 1996 organiseert u uw eerste tentoonstelling in Witte de With. Wat laat u zien?

Het wordt een expositie met werk van vier jonge kunstenaars: een Nederlander, een Belg, een Spanjaard en een Israeliër. Ik wil hun namen niet noemen, omdat ik nog niet helemaal zeker ben. Daarom noem ik hun nationaliteit, maar eigenlijk doet die er niet toe. Er bestaat niet zoiets als Nederlandse of Spaanse kunst. Kunst is een universele taal. Kijkers kunnen in een kunstwerk iets unieks ervaren. Natuurlijk, op straat maak je ook van alles mee, maar een kunstwerk is er speciaal op uit om een belevenis te provoceren. Er is een kwalitatief verschil tussen ervaringen die het leven schenkt en die de kunst schenkt. Kunstenaars laten niet alleen zien wat is, maar ook wat had kunnen zijn of wat nooit zal gebeuren. Kunst maakt een mens rijker.''

Tot nu toe heeft u vooral naam gemaakt met tentoonstellingen van klassieke of al wat oudere kunstenaars. Gaat u daar in Witte de With mee door?

“Witte de With is in de eerste plaats een laboratorium. Ik wil me vooral richten op jonge kunstenaars die nieuwe vormen van expressie onderzoeken en iets zeggen over de tijd waarin wij leven. In september volgend jaar komt er bijvoorbeeld een expositie van de Canadees Tony Brown. Met licht, geluid en robots laat hij de impact zien die nieuwe technologieën hebben op de hedendaagse cultuur.

“Er bestaat in Witte de With wel een traditie in het exposeren van oudere kunstenaars die nu door jonge collega's worden herontdekt. Die traditie wil ik voortzetten. Volgend jaar komt er een expositie over de Amerikaanse, van oorsprong Oostenrijkse architect Frederik Kiesler (1890- 1965), die nu kunstenaars als Thomas Schutte en Bruce Nauman beïnvloedt. Kielser is de maker van utopische projecten als Endless House, een huis in de vorm van een ei, of baarmoeder. Kiesler was zijn tijd ver vooruit. Hij bedacht bijvoorbeeld combinaties van beeld en geluid die nu pas technisch mogelijk zijn geworden. Nog belangrijker is zijn attitude: Kiesler zag geen kloof tussen de mens en de natuur, tussen binnen en buiten, tussen het huis en de stad of tussen de verschillende kunsten. Vooral dat laatste is nu actueel. Veel jonge kunstenaars maken in hun werk gebruik van muziek en film.”

Wat vindt u van het Nederlandse kunstklimaat?

“De context voor kunst is in Nederland heel goed. Dat maakt het voor mij aantrekkelijk hier te werken. In Nederland is veel aandacht voor kunst en is het kunstleven goed georganiseerd, beter dan bijvoorbeeld in Spanje. Maar Spanje is ook nog een jonge democratie. Witte de With neemt zowel nationaal als internationaal een bijzondere plaats in. Het is een van de actiefste en meest dynamisch plekken voor hedendaagse kunst. Ik ken het voornamelijk uit mijn tijd in Brussel. Ik heb er veel kunstenaars ontdekt, zoals John Ahearn, Jessica Stockholder, Willem Oorebeek en nog een groot aantal andere Nederlanders wier namen ik niet heb onthouden omdat ik ze nog niet kan uitspreken. Maar daar zal nu snel verandering in komen. Ik ga in ieder geval in november een intensieve cursus Nederlands volgen.

“In grote lijnen wil ik het beleid van Dercon voortzetten, maar in de praktijk zullen er wel verschillen zijn. Want in dit werk is niet alleen de ratio, maar ook de intuïtie van belang, zeker bij de keuze van kunstenaars, en die is altijd persoonlijk gekleurd. Bovendien ben ik van een andere generatie.”

U heeft geen kunstgeschiedenis gestudeerd, maar filosofie. Beschouwt u dat als een nadeel?

Ik zie het eerder als een voordeel. Ik moet natuurlijk wel eens wat kennis inhalen, maar mijn houding ten opzichte van kunst is veel opener dan die van de meeste kunsthistorici. De 'officiële' kunstgeschiedenis is volstrekt nutteloos. Dat bleek bijvoorbeeld weer op de door Jean Clair georganiseerde tentoonstelling op de laatste Biennale van Venetië. Clair presenteerde de abstracte kunst daar als een afwijking van de rechte figuratieve weg. Maar het onderscheid tussen abstracte en figuratieve kunst is kunstmatig. Wie bewondert er nou een kunstwerk omdat het abstract of figuratief is?''

Is Witte de With een centrum voor de elite?

Er bestaat wel een gespecialiseerd publiek voor kunst, maar ik wil dat graag verbreden. Daarom gaan wij beginnen met een speciaal programma voor jongeren van 14 tot 18 jaar. Wij willen voor hen begin volgend jaar een pagina op Internet openen, die onder andere via scholen toegankelijk is. Daarop willen we dingen laten zien die hen opwinden. Daar kunnen ze dan direct op reageren. Misschien krijgen ze via het net wel antwoord van de kunstenaars zelf. Uiteindelijk is het vanzelfsprekend de bedoeling dat ze naar Witte de With komen. Want niets kan de confrontatie met het kunstwerk zelf overtreffen. Maar als nieuwe technieken ons in staat stellen de dialoog met het publiek op gang te brengen, moeten we daar gebruik van maken. Ik wil in de toekomst ook catalogi op video en cd-rom gaan uitbrengen.

“Een instituut als Witte de With moet een brug zijn tussen kunst en publiek. Als je het publiek als uitgangspunt neemt, loop je het gevaar populistisch te worden en alleen nog maar naar bezoekcijfers te kijken. Als je alleen de kunstenaars gehoorzaamt, is de kans groot dat je de band met het publiek doorsnijdt. Daartussen moet je een evenwicht vinden.

“Voor jongeren is beeldende kunst, anders dan film en muziek, op het eerste gezicht niet interessant. Je kunt op moderne kunst niet dansen en ze verschaft geen role models. Maar beeldende kunst leert je wel verschillende manieren om naar de wereld te kijken en beslissingen te nemen over wat je ziet. Esthetische ervaringen helpen mensen om verantwoordelijke burgers te worden.”