Weg- en waterbouw op zoek naar beter opgeleide werknemers

Enkele kinderen krijgen een veiligheidshelm op, andere mogen het oranje jak van een wegenbouwer aantrekken. De les wordt buiten voortgezet. Het is een prachtige herfstmorgen als de 37 kinderen van groep 8 van de openbare lagere school De Springplank in Den Bosch een ochtend lang les krijgen over de vele aspecten van de infrastructuur.

Nederland is nog lang niet af. De aannemers in de grond-, water- en wegenbouw zullen het met genoegen vaststellen, maar het wordt wel steeds lastiger om nog mensen te vinden, vooral geschoolde vakmensen, die in deze bedrijfstak hun brood willen verdienen. Daarom is de sector begin dit jaar begonnen bij de jeugd. Met de kreet 'Go Infra' trekt een campagneteam met een 'Go Infra'-bus door het land.

Het grootste probleem van de bedrijfstak is het imago. De buitenwacht denkt al gauw aan vuil, vies en nat werk, met beroerde omstandigheden op de werkplek, en met 'vaklui' die die naam eigenlijk niet zouden verdienen. De sector heeft dringend behoefte aan vaklieden. Maar in het Voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) kun je daarvoor niet terecht. Op de vroegere LTS of ambachtsschool kunnen jongeren die liever met hun handen werken, wel leren voor timmerman of automonteur, maar niet voor beroepen in de grond-, water- en wegenbouw (GWW). Daardoor ontbreekt de natuurlijke doorstroming vanuit het basisonderwijs.

In de grond-, water- en wegenbouw zijn wel voortijdige schoolverlaters te vinden, jongens die van hun ouders zo nodig naar de Havo moesten, of naar de Mavo, en het daar niet redden. Dan ontstaan er moeilijkheden op school en het eind van het liedje is dat de lastpakken door bedrijfsconsulenten de GWW worden 'ingepraat'. “Van die negatieve selectie moeten we hoog nodig eens af”, zegt drs. H. Milder, algemeen directeur van de Stichting Beroepsopleidingen Weg- en waterbouw, in Gouda. Zijn instituut biedt een groot pakket aan opleidingsmogelijkheden, van het eenvoudige, uitvoerende niveau tot en met een HTS-opleiding voor vakmensen die in de avonduren aan hun carrière werken.

Aanleg en onderhoud van infrastructuur is een veelomvattend begrip. Het staat voor het brede terrein van kust- bagger- en oeverwerken, aanleg van wegen en spoorlijnen (inclusief grote kunstwerken als tunnels, bruggen en viaducten), het onderhouden van vaarwegen, dijken en kades, het opnieuw inrichten van de openbare ruimte in stedelijke gebieden (woonerven, fietspaden, sierbestrating), het bouwrijp maken van terreinen voor industrie en woningbouw (inclusief heiwerkzaamheden), alles wat te maken heeft met riolering en afvalwaterzuivering, de aanleg van leidingen en kabels (van telefoon, water, gas en elektriciteit tot nieuwe centrale antennesystemen). Voor al dat werk zijn veel mensen nodig, van kabelwerkers en wisselbouwers tot machinisten die een mobiele torenkraan van een paar ton kunnen besturen en die ook zelf onderhouden.

In de campagne 'Go Infra' wordt luid verkondigd: Kies voor een opleiding en een baan in de infrastructuur. “Je bent jong en je wilt aan de slag. Duf werk tussen vier muren is niets voor jou.” De aannemers willen af van het smalle beeld dat van de GWW bestaat, juist door te laten zien dat hun bedrijfstak technici op alle niveaus nodig heeft, maar ook administratief, financieel en logistiek geschoolde mensen, automatiseerders en mensen die thuis zijn in milieuzorg en arbeidsomstandigheden.

Werk is er volop. Uit een onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) is gebleken dat er een instroom nodig is van 8.000 werknemers per jaar (na 1996), waarbij vooral de kwaliteit van die instromers verbetering behoeft. In de hele GWW-sector is in het jaar 2000 naar schatting werk voor 53.880 mensen, wat vergeleken met de situatie anno 1995 neerkomt op een jaarlijkse stijging van 1 procent. Dat lijkt te overzien, maar door de vergrijzing van het arbeidsbestand, door voortijdig vertrek naar andere bedrijfstakken en door het afnemend aantal jongeren is er nu een 'slag om de jongeren' aan de gang.

De directeur van De Springplank in Den Bosch, J. van Zantvoort, heeft ook de sector elektrotechniek al op bezoek gehad, en de PNEM, het energiebedrijf, heeft voor zijn leerlingen een bedrijfsbezoek georganiseerd. Van Zandvoort: “Ze zijn heel ijverig om klanten te winnen.” Hij vreest dat de keuze van ouders voor het VBO “in heel veel gevallen geen principiële keuze is, eerder een soort restkeuze”. Maar op informatie-avonden ziet hij de belangstelling voor het VBO toch toenemen. “Er is een herwaardering voor het technisch onderwijs.”

De toekomstige behoefte aan GWW-personeel is af te lezen uit de te verwachten bouwactiviteiten. In 1990 bedroeg de totale GWW-produktie 11.570 miljoen gulden. In 1995 komt het naar schatting uit op 12.850 miljoen, en voor het jaar 2000 wordt dat 14.100 miljoen. Deze ramingen van het EIB betekenen een groei van gemiddeld twee procent per jaar over de periode 1996-2000. Het EIB heeft in opdracht van het ministerie van VROM ook onderzocht hoe het zit met de overheidsopdrachten in de GWW-sector. Bij het rijk zullen de uitgaven voor wegen en vaarwegen na 1995 licht dalen. Ook op het gebied van de waterbeheersing zullen de uitgaven op een lager niveau uitkomen. In bedragen gaat het om een daling van 1 procent per jaar over de periode 1996-1990, van 1.300 miljoen in 1995 naar 1.250 miljoen in 2000. Onder de lagere publiekrechtelijke lichamen zijn de gemeenten de belangrijkste opdrachtgevers, en ook de waterschappen zorgen voor werk. Op langere termijn denkt het EIB hier aan een stijging van 1 procent per jaar van 4.650 miljoen in 1996 tot 4.875 miljoen in 2000.

De sterkste groei is de komende jaren te verwachten van de bedrijven. De belangrijkste opdrachtgevers zijn de transportbedrijven. Hun uitgaven voor de infrastructuur zijn de laatste jaren aanzienlijk toegenomen door de uitbreiding van de rail-infrastructuur, zowel bij de NS als bij het stadsvervoer. Daarna komen als belangrijke opdrachtgevers de nutsbedrijven, die zorgen voor de produktie en distributie van gas, water en elektriciteit. Het EIB verwacht dat zowel dit jaar als in de periode 1996-2000 de opdrachten van de bedrijven sneller zullen stijgen dan die van de totale overheid. Nog een paar cijfers: over de periode 1996-2000 stijgt de GWW-produktie voor bedrijven jaarlijks met 4 procent, van 4.625 miljoen in 1996 naar 5.600 miljoen in het jaar 2000. Daarmee stevenen de bedrijven de overheden royaal voorbij. Voor de post onderhoud staat overigens ook nog het niet geringe bedrag van 2.375 miljoen voor het jaar 2000 in de EIB-becijferingen.

Economen kunnen ernstig van mening verschillen over de vraag hoeveel werk het gevolg is van uitgaven voor de infrastructuur. Allerlei factoren moeten worden 'gewogen' zoals toenemende arbeidsproduktiveit - er komen grotere en duurdere machines en minder mensen - en de multipliers, uitstalingseffecten ook buiten de sector zelf, als het bruist van de bouwactiviteiten. Met de nodige reserves heeft het EIB op basis van gegevens over werkgelegenheid en produktie in de GWW-sector de directe werkgelegenheid bij bouwbedrijven becijferd op één manjaar per 240.000 gulden. In de toeleverende bedrijfstakken, zoals de betonwaren- en transportmiddelenindustrie, ontstaan per tien directe manjaren circa drie manjaren werk. Dat betekent een uitstralingseffect van 30 procent. Nemen we de directe en indirecte effecten samen, dan levert iedere 180.000 gulden aan investeringen in de infrastructuur één manjaar werk op.

Met die ontwikkelingen op langere termijn in het achterhoofd zijn de aannemers naarstig op zoek naar mensen, vakmensen. Waar zitten knelpunten bij de speurtocht naar goed personeel?

T. Schrijver, bestuurder van de Hout- en Bouwbond FNV, gelooft niet dat het eventuele slechte imago van de GWW te maken heeft met het buiten werken en met de arbeidsomstandigheden op de bouwplaats. Hij vindt wel dat er in de bestekken een stelpost moet worden opgenomen over die arbeidsomstandigheden en de veiligheid. “Daarmee haal je die zaken in één klap uit de concurrentiesfeer.” Voor een aannemer heeft het dan geen zin meer om op deze punten zijn mensen af te knijpen. Veel ernstiger vindt Schrijver de grote werkloosheid in de winter. “De wegenbouw is heel erg conjunctureel gevoelig. Het is hollen of stilstaan. Als de grote opdrachten goed op gang komen, in april, mei, is het hurry up tot de bouwvakvakantie. Dan wordt er veel overgewerkt, totdat de zaak plat gaat voor drie, vier weken. Als er dan in september, oktober nog geld vrijkomt voor nieuw werk, geldt na 1 november een asfaltverbod. Dat is toch volkomen achterhaald.” De mensen werken volgens Schrijver graag in de wegenbouw, de sfeer is goed, en ze zijn trots op de grote werken die zij tot stand brengen, maar ze willen ook een vast dienstverband met een vast inkomen. Schrijver zou graag zien dat de grote opdrachtgevers, waaronder de verschillende overheden, deze “binnenjaarlijkse discontinuïteit” helpen voorkomen door veel beter te overleggen en te plannen.

Een ander probleem waarvoor ook Schrijver niet direct een oplossing weet, is de grote pendel, kriskras door het land. Uit cijfers van het EIB blijkt dat de bouw over de hele linie pendeloverschotten kent, van het oosten, het noorden en het zuiden naar het westen. Maar de GWW-sector is in die pendel sterk oververtegenwoordigd. Van de wegenbouwers werkt zo'n 35 procent in een andere provincie. Het resultaat van wervingsacitiviteiten in het westen houdt niet over. Schrijver: “Veel wegenbouwers zijn afkomstig uit de agrarische sector. Ze zijn een vrij leven gewend, en ze hebben steeds weer een andere klus.” Maar hij vindt het eigenlijk te gek, die pendel. “In de vroege ochtend op weg, 80 tot 120 kilometer. Dan maak je lange dagen. En dan de weg terug, je bent moe, eigenlijk is het hartstikke gevaarlijk.”

Schrijver betreurt het dat oudere, ervaren werknemers hun heil zoeken in een vaster dienstverband, bijvoorbeeld bij een afdeling Publieke Werken van een gemeente. Daarom staat hij van harte achter de Go Infra-campagne. In de hele bedrijfstak ziet hij een verschuiving van ongeschoold en laaggeschoold werk naar werk dat technisch op een hoger niveau ligt. Naar verwachting zal het aantal toetreders met alleen lager onderwijs steeds verder afnemen. In 1993 was dat nog 22 procent en in 2000 zal dat zijn gezakt tot 14 procent.

De Stichting Beroepsopleidingen Weg- en waterbouw in Gouda, een paritair instituut van werkgevers en werknemers, heeft over heel Nederland zo'n 2400 jongeren ondergebracht in het leerlingwezen. De jaarlijkse instroom bedraagt thans ruim duizend jongeren. Zij werken vier dagen bij een baas, en gaan de vijfde dag naar een streekschool. Directeur H. Milder heeft ook te kampen met het ontbreken van een GWW-opleiding in het voorbereidend beroepsonderwijs. Twee jaar geleden is hiermee een experiment gestart, in Etten Leur, maar het loopt daar niet echt storm.

Het rendement van het leerlingstelsel ligt op 60 procent. Dat is hoog, aldus Milder. De bottle-neck is vaak niet het werk, maar juist die ene schooldag. “Sommige jongens zij niet te houden in de schoolbanken.” De ervaring leert dat ze later toch weer aan een opleiding beginnen, maar dan voor de volwassenen. De SBW verzorgt een uitgebreid pakket aan kaderopleidingen. Daarin draaien per jaar tussen de 3.000 en 5.000 mensen mee.

Ronduit teleurstellend zijn de wervingsactiviteiten onder allochtonen. Milder: “Wij hebben een heel actief allochtonenbeleid gehad, maar de cultuurverschillen blijken enorm. We hebben het ook onderzocht, waarom het maar niet wilde lukken. Toen bleek onder andere dat Marokkanen absoluut niet te porren zijn voor de wegenbouw. In Marokko is het aanleggen van wegen het werk van gevangenen.”

In Den Bosch probeert A. G. Dikmans (67) de aandacht van een overvolle klas gevangen te houden. Als ambtenaar bij de gemeente Heerlen heeft hij veel te maken gehad met de GWW, en nu is hij, uit liefde voor dit vak en pro deo, op pad als 'ambassadeur'. Hij wordt daarin bijgestaan door Tienko Doorn, de chauffeur van de bus die als epxositieruimte en klein leslokaaltje is ingericht. In groepjes van negen tegelijk kunnen de kinderen in de bus een videopresentatie bekijken. Sommige kinderen griezelen bij de video als er een mooi, schoon bad wordt gevuld met emmers rioolwater. “Ja kinderen, per dag per persoon maken we honderd liter water vuil”, zegt Doorn. “ Maar via de riolering en de afvalwaterzuivering komt het allemaal weer in orde.”

    • Koos Metselaar