Tijd; De verjaardag van de hagedis

Op zijn verjaardag kreeg de hagedis van de slang tijd cadeau.

'Alsjeblieft, hagedis', zei de slang.

'Ach, wat aardig', zei de hagedis. 'Die wil ik heel graag hebben.' Hij pakte de tijd uit en bekeek hem.

Het was vroeg in de avond. De zon scheen tussen de onderste takken van de bomen door en de tijd glinsterde en fonkelde in de handen van de hagedis.

'Wat een prachtige tijd', zei hij.

'Ja', zei de slang. 'Hij is net nieuw.'

De beer had lang staan te wachten met zijn cadeau en zag achter de rug van de hagedis een taart staan. Hij snoof, schraapte zijn keel en zei:

'Nu ik.'

Hij duwde de slang opzij. De slang gleed tegen de hagedis aan en de hagedis liet de tijd vallen.

'Nee!' riep hij nog. Toen viel de tijd in stukken op de grond.

De zon ging vliegensvlug onder en de maan schoot de lucht in, tot boven het bos. De bomen ruisten met vlugge, hoge tonen, en voordat de beer één hap had kunnen nemen hadden de andere dieren de taart al opgegeten.

Iedereen holde door elkaar, struikelde, viel en raakte buiten adem. Maar ze dachten ook dat ze daar al jaren waren en konden zich het begin van de verjaardag niet meer herinneren.

Alleen de boktor verloor zijn kalmte niet. Hij raapte de stukken van de tijd op en plakte ze aan elkaar.

Iedereen ging weer zitten.

'Hij is niet zo sterk meer, nu', zei de boktor.

'Hij was al niet zo sterk', zei de slang.

De hagedis bekeek zijn tijd. Hij voelde aan de barsten die er in zaten, en hij zag dat er een paar stukken ontbraken, die de boktor niet meer had kunnen vinden.

Maar het was toch een mooie tijd, die hij goed kon gebruiken.

'Ik weet niet hoe lang hij zal meegaan', zei de boktor.

'Lang genoeg', zei de slang.

De hagedis knikte, legde de tijd voorzichtig naast zich neer, in het gras, en vierde geduldig en behoedzaam - maar af en toe wel met horten en stoten - de rest van zijn verjaardag.