Staat biedt nieuwe Chinese ondernemer geld en zekerheid

Als meneer Tao dreigt te verdrinken kan hij zich altijd nog vastgrijpen aan zijn vrouw. Dat is de manier waarop Chinezen 'zwemmen in de commerciële zee'. Hij heeft zijn eigen bedrijf, met alle risico's van dien, zij werkt voor de staat, slecht betaald, maar gegarandeerd. Aan deze laatste zekerheid wordt in China nu echter ook geknaagd.

PEKING, 27 OKT. Het is alweer acht jaar geleden dat Tao Xiaojiang zijn baan in het leger heeft opgegeven. Hij moet lachen bij die herinnering. “Ik was erg onzeker, maar samen met mijn vrouw heb ik toen besloten dat ik de stap zou wagen en voor mijzelf zou beginnen.” Xiahai - ondergaan in de zee - heet dat in de volksmond. Nu verdient Tao met zijn bedrijf in telefoononderdelen 1000 yuan (200 gulden) per maand, destijds in het leger ruim de helft minder. “Het is een verstandige beslissing geweest”, zegt de 38-jarige Tao, zichtbaar tevreden.

Maar Tao had nooit een dergelijke beslissing genomen als zijn vrouw, Liu Xiuying, niet was verzekerd van haar werk bij de landelijke vakbond. Want een baan binnen een staatsinstelling staat voor relatieve stabiliteit. Liu's inkomen is vooralsnog gegarandeerd, ze heeft een huis toebedeeld gekregen en ook haar medische onkosten worden gedekt.

De 'risico-spreiding' waartoe het echtpaar Tao heeft besloten, is een zeer gangbaar verschijnsel in China's socialistische overgangseconomie. 'Eén familie, twee systemen' wordt dat genoemd, vrij naar het door de communistische partijtop gebezigde motto van 'één land, twee systemen', waarmee zij de positie van Hongkong in China aanduidt na de overname van de Britse kroonkolonie in 1997. Peking krijgt dan zijn bevoegdheden over het gebied terug, maar garandeert de economische onafhankelijkheid van Hongkong.

Volgens mevrouw Liu is xiahai iets voor jonge mensen. “Ouderen durven een dergelijke stap niet te nemen. Zij lopen een grotere kans ziek te worden en wie neemt dan de eventuele medische kosten op zich?” Om die reden hebben zij en haar echtgenoot besloten dat alleen één van hen een bedrijf kon beginnen, ondanks het feit dat ze het alletwee wel hadden gewild. “Heeft Deng Xiaoping in 1992 niet gezegd dat het socialisme nog zeker honderd jaar zal blijven voortbestaan?”, zegt Liu, “wat wil je nog meer? Ik ben voorlopig absoluut zeker van mijn baan en dat kan mijn man niet zeggen.”

Maar niet iedereen heeft zoveel vertrouwen in die belofte van Deng Xiaoping. Het 'socialisme met Chinese karakteristieken' zoals het communistische leiderschap de niet-socialistische - lees kapitalistische - ontwikkelingen in de huidige samenleving verantwoordt, verliest steeds meer van zijn socialistische garanties. De zogenaamde 'ijzerenrijstkom', het gegarandeerde inkomen, huis en de medische bijstand van de wieg tot het graf, wordt in versneld tempo afgebroken en mensen zoals mevrouw Liu kunnen alsnog hun baan verliezen.

Chang Xuyao, een 35-jarige arbeider, werkte tot voor kort in een lampenfabriek, maar na een interne saneringsmaatregelen op de fabriek werden hem en al zijn collega's arbeidsovereenkomsten opgedrongen waarmee de fabrieksmanagers de mogelijkheid kregen hen te ontslaan, iets wat voorheen formeel niet was toegestaan in China. Chang werd een maand later ontslagen, anderen bleven aan. “Ik heb mijzelf verweten dat ik er niet veel eerder ben uitgestapt. Dan had ik nu niet zonder werk gezeten”, aldus Wang.

Dat is ook de reden waarom Zhao Zhiling haar werkzaamheden aan de politieke faculteit van een onderzoeksinstituut in Peking, heeft beperkt tot een minimum. “Het zal niet lang meer duren voordat ook wij een arbeidsovereenkomst zullen moeten tekenen, en ik behoor waarschijnlijk tot één van de eersten die dan zal worden ontslagen”, zegt Zhao. De 40-jarige politicoloog was tot 1989 hoofdredacteur van een politiek tijdschrift, maar het blad werd in juni 1989 opgeheven, na de bloedig neergeslagen pro-democratische studentendemonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Sinds die tijd zouden Zhao's bazen haar graag zien vertrekken en wordt haar geen haarbreed in de weggelegd om elders nevenactiviteiten te ontwikkelen.

Zhao neemt echter geen uitzonderingspositie in, want ook zonder politieke motieven worden veel werknemers van staatsinstellingen aangemoedigd ergens anders een baan te zoeken. Sinds de Chinese autoriteiten eind jaren tachtig begin jaren negentig een saneringsprogramma hebben ingevoerd, in de hoop korte metten te maken met China's noodlijdende staatsbedrijven, werken vele fabrieken en instellingen aan het ontslag of de overplaatsing van een teveel aan werknemers.

Werknemers die met een plan voor een eigen onderneming komen, worden doorgaans volledig gesteund door de staatsbedrijven en krijgen soms zelfs geld toe. Zhao Zhiling vertelt dat haar bazen bereid zijn tien- tot twintigduizend yuan (tussen de twee- en vierduizend gulden) te betalen als één van de werknemers op het instituut besluit de vrije markt op te gaan. “De gemiddelde eenheid [waaraan iedere werknemer verbonden is] heeft doorgaans te veel mensen in dienst. De staat verstrekt echter een vaste som geld aan een eenheid, ongeacht het aantal werknemers. Dus als een staatsbedrijf met minder werknemers toe kan, dan zullen de managers zeker streven naar een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering”, aldus Zhao.

Overigens peinst Zhao er niet over zich te laten wegsturen voor een eenmalige premie. Evenals vele anderen kiest zij voor stabiliteit. En hoe zelden zij ook op haar instituut verschijnt, momenteel slechts twee uur per week, ze blijft er als het even kan aan verbonden. De rest haar tijd besteed zij aan het leveren van hand- en spandiensten aan derden. “Ik ben gedeeltelijk ondergegaan in de zee van de commercie en ik ben voorbereid op het moment dat ik geen keuze meer heb”, zegt Zhao refererend aan haar eventueel ontslag.

“Sommige staatsbedrijven hebben aantrekkelijkere oplossingen om hun overtollig arbeidsaanbod weg te werken”, weet Tao Xiaojing, de voormalige soldaat van het Volksbevrijdingsleger, te vertellen. “Een vriend van mij werkte vroeger bij een staatsuitgeverij. Inmiddels is hij voor zichzelf begonnen, maar hij geniet gedeeltelijk nog de bescherming van zijn voormalige werkgever.” Jaarlijks betaalt de vriend van Tao zijn oude werkeenheid een percentage van zijn loon in ruil voor het behoud van zijn status bij de uitgeverij.

Staatsbedrijven bewaren dan de persoonlijke gegevens van hun voormalige werknemers - de zogenaamde dang'an die van alle werknemers in staatsdienst wordt bijgehouden - en springen waar noodzakelijk bij. Het staatsbedrijf betaalt niet langer een inkomen en verstrekt ook geen woonruimte, maar als de beginnende ondernemer problemen ondervindt dan heeft hij of zij in het uiterste geval het recht weer terug te keren naar de oorspronkelijke werkeenheid. “Op die manier durven meer mensen de stap in het diepe te wagen. Het kost ze geld, maar ze voelen zich niet aan hun lot overgelaten”, aldus Tao.

    • Floris-Jan van Luyn