Rol Tommel in 'WBL-zaak' vaag

DEN HAAG, 27 OKT. Op “bijna Kafka-achtige wijze” is het bestuur van de noodlijdende Stichting Woningbeheer Limburg (WBL) in zijn pogingen om financiële steun te krijgen “van het kastje naar de muur gestuurd”. Dat zeggen de Tweede-Kamerleden Duivesteijn (PvdA) en Hofstra (VVD). Zij zijn tot de conclusie gekomen dat een parlementair onderzoek noodzakelijk is om in het bijzonder de rol van staatssecretaris Tommel van volkshuisvesting in deze Limburgse affaire onder de loep te nemen.

Volgens de twee parlementariërs deed de staatssecretaris mee aan het afschuiven van verantwoordelijkheden. Daardoor werd “de financiële draaikolk waarin WBL was beland” niet gestopt, noteren Duivesteijn en Hofstra in het eindrapport van de werkgroep van vier Kamerleden die moest nagaan of een parlementair onderzoek naar de financiële situatie van WBL opportuun is.

Deze werkgroep, die gisteren haar rapport uitbracht, is hopeloos verdeeld geraakt. Tegenover de opvatting van de afgevaardigden van PvdA en VVD dat een parlementair onderzoek gewenst is, staat het duo Biesheuvel (CDA) en Versnel-Schmitz (D66). Volgens hen liggen er al genoeg gegevens op tafel om het debat met staatssecretaris Tommel van volkshuisvesting aan te gaan. Daarbij sparen zij de bewindsman niet bij voorbaat. De staatssecretaris had “scherper toezicht” op de WBL en andere betrokken partijen moeten uitoefenen, vinden Biesheuvel en Versnel.

WBL, een corporatie die in Limburg en Noord-Brabant ongeveer 7.500 woningen beheert, staat aan de rand van de afgrond. Zij kampt met een tekort dat door op 175 miljoen gulden wordt geschat. Een speciaal aangestelde bewindvoerder is tot de conclusie gekomen dat WBL maar het beste kan verdwijnen en dat haar woningen onder andere corporaties moeten worden verdeeld.

De WBL ontstond in 1992 , toen de Stichting tot Bevordering van Bijzondere en algemene woonvormen en Dienstverlening (SBDI), Huisvesting Bejaarden Limburg (HBL) en Het Zuiden werden samengevoegd tot de stichting WBL. Dat was vooral bedoeld als oplossing voor de in opspraak geraakte SBDI die vrijwel failliet was. De toenmalige staatssecretaris van volkshuisvesting, Heerma, stimuleerde de fusie en stak er een kleine 30 miljoen gulden in, met instemming van de Tweede Kamer. Nadere beschouwing wees vervolgens uit dat HBL en Het Zuiden financieel evenmin gezond waren en wellicht niet de meest geschikte fusiepartners voor de SBDI.

Hoe dan ook: WBL deed nieuwe steunaanvragen, maar ving bot bij de staatssecretaris die verwees naar het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, dat speciaal is ingesteld om noodlijdende corporaties te steunen. Daar stuitte WBL op herhaalde afwijzingen: de corporatie moest eerst een fatsoenlijk saneringsplan maken. Maar de vraag is of WBL daartoe in staat was. De inspectie van het ministerie schreef een rapport dat voor het WBL-bestuur als “tamelijk vernietigend” mag worden beschouwd, zo constateren de vier Kamerleden unaniem in hun eindrapport. In een inspectierapport uit 1994 staat: “Het WBL is in belangrijke mate gehandicapt door het op cruciale momenten ontbreken van een voor deze problemen benodigd adequaat werkapparaat en een ter zake kundig en slagvaardig bestuur.”

Maar het gaat het duo Duivesteijn/ Hofstra te ver om de schuld louter bij WBL te leggen. Daarom willen zij nader parlementair onderzoek. De vraag is of deze Kamerleden van VVD en PvdA daarmee niet van wantrouwen getuigen jegens hun coalitiegenoot, de D66-bewindsman Tommel. Hofstra vindt van niet. “Er spreekt wel een zekere scepsis uit”, geeft hij toe.

Behalve op de rol van Tommel zou zo'n onderzoek zich ook richten op diens voorganger, de huidige fractieleider van het CDA, Heerma. Het is dus pikant dat uitgerekend D66 en CDA zich tegen een parlementair onderzoek verzetten. Maar Versnel en Biesheuvel haasten zich te ontkennen dat zij eventueel falen van geestverwante (ex-)bewindslieden willen toedekken. “Je moet niet onderzoeken om het onderzoeken”, zegt Biesheuvel. Het is dus toeval dat juist CDA en D66 geen parlementair onderzoek willen? Biesheuvel: “Dat is net zo toevallig als het feit dat Kamerleden van andere partijen juist wel zo'n onderzoek wensen.”