Quené bij naderend afscheid bezorgd over imago van SER

Th. Quené, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, heeft gisteren bekend gemaakt dat hij met ingang van 1 april zijn functie zal neerleggen. Als een spin zat Quené ruim een decennium in het sociaal-economisch web.

DEN HAAG, 27 OKT. “Na ruim elf jaar lijkt het mij goed deze functie neer te leggen”, zegt de 65-jarige dr. ir. Theo Quené in een toelichting op zijn besluit om de Sociaal-Economische Raad te verlaten. In die elf jaar heeft Quené te vuur en te zwaard de SER verdedigd tegen de aanzwellende kritiek.

De SER, door oud-premier Lubbers ooit gekarakteriseerd als “een baal hooi die alles afremt”, is het belangrijkste niet ambtelijke adviesorgaan van het kabinet.

'Een gotspe', een 'karikatuur' en 'een volstrekt tekort aan historisch en maatschappelijk besef'. Driftig pareerde Quené, de grootmeester van de genuanceerde dictie, in 1982 al de kritiek op de organisatie die hij voorzit. Het kabinet was verplicht om de SER advies te vragen bij alle belangrijke aangelegenheden van sociaal-economische aard. En Quené wil die verplichting handhaven, want “anders ontstaat er een schimmig lobby-circuit rondom het aanvragen van een SER-advies, ongewenst vanuit democratisch oogpunt”, zei hij toen in een vraaggesprek met NRC Handelsblad.

In maart van dit jaar besloot de Tweede Kamer dat het kabinet de SER straks niet meer om advies hoeft te vragen. De Tweede Kamer besloot dit tegen de zin van het kabinet zelf en tot ongenoegen van de vakcentrales en de meeste werkgeversorganisaties. Maar in de praktijk is er weinig veranderd. “Ik doe gewoon wat ik nodig acht om een effectief beleid te kunnen voeren”, zei minister Melkert (sociale zaken) onlangs in een vraaggesprek met NRC Handelsblad.

Begin jaren tachtig kwam de SER steeds meer onder vuur te liggen. De politiek gebruikt de Ser als “parkeerhaven” om besluitvorming uit te stellen, meende de toenmalige voorzitter van de PvdA-fractie Thijs Wöltgens. Hij brak een lans voor een minder prominente rol voor de raad. VVD-fractievoorzitter Bolkestein wilde de SER helemaal afschaffen; de raad zou worden gebruikt als “schuilkelder” voor de politiek. Quené nam toen de handschoen op. Opmerkelijk, want de SER-voorzitter laat zelden in het openbaar van zich horen. Het liefst opereert Quené binnenskamers, als een spin in het sociaal-economisch web. Sinds zijn aantreden in 1985 trekt Quené ten strijde tegen het beeld van de SER als een fossiel uit het na-oorlogse tijdperk. En dat irriteert. “De Raad van State wordt toch ook niet om de haverklap gevraagd naar het bestaansrecht?”

Quené was begin dit jaar zeer verbolgen over de uitspraak van de Tweede Kamer om de adviesplicht te schrappen. De SER is “ten principale teleurgesteld”, luidde de officiële reactie. Maar Quené vreesde een marginalisering van de SER. Hij heeft daar zijn conlusie uit getrokken; ondanks het feit dat er in de adviespraktijk weinig is veranderd.

Door zijn medewerkers wordt Quené getypeerd als “aimabel” en “zeer gedegen”. De adviezen die onder Quené zijn opgesteld, waren dan.ook steeds voorzien van doorwrocht en heldere analyses. In tegenstelling tot zijn voorganger de CHU'er De Pous, minister van economische zaken 1959-1963, die een nationale bekendheid was, opereerde de PvdA'er Quené meer op de achtergrond. Hij tracht werkgevers, werknemers en kroonleden te bewegen tot constructief overleg. “Ik verschaf neutrale grond aan de vertegenwoordigers van belangenclubs. Hier kunnen ze vertrouwelijke gesprekken voeren en verdwijnen de scherpe kantjes in het debat”, zo omschreef hij ooit zijn functie.

Voordat Quené voorzittter werd van de SER was hij van 1978 tot 1985 voorzitter van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Hij begon zijn loopbaan in 1956 bij de Rijksplanologisch dienst waarvan hij van 1967 tot 1972 directeur was. Van 1972 tot 1975 was hij direcetur-generaal ruimtelijke ordening op het ministerie van Volkhuisvesting en ruimtelijke ordening. In 1976 werd hij secretaris-generaal op dit departement. Een functie die hij vervulde totdat hij werd benoemd als voorzitter van de SER.