Konijnehok

Er lag een dode hond op de parkeerplaats.

We stonden op het balkon en zo nu en dan raakte Joan Paladin mijn schouder aan. “Wat is de kleur van je haar?” had ze gevraagd. “Ik kan het in dit licht niet zien.”

“Misschien had hij genoeg van de honden, of van de mensen.”

“Nee,” zei ze, “honden springen niet. Ik heb zelf een hond.”

Ze noemde zich Joannie.

Er kwam een opzichter die de hond aan zijn poten probeerde weg te trekken, maar het lukte niet. Het zag er van boven grappig uit. Net een film.

“Ik doe het niet,” zei ik. Ze waren nu met zijn tweeën bezig aan de poten van de hond te trekken.

“En de jacuzzi,” zei Joannie.

“Het is een konijnehok. Wat heb je aan een jacuzzi in een konijnehok?”

We keken weer naar de hond.

Joannie huilde. Ik zag het aan haar mascara en aan de rest van haar make-up.

Ik wist niet goed wat ik moest doen. Mijn makelaar huilde. Ik was haar eerste klant, had ze gezegd, maar dat was nog geen reden om meteen te gaan huilen.

“We vinden wel iets Joannie,” zei ik, “we vinden wel iets.”

Eigenlijk was ze zangeres. En die middag had ze een bespreking gehad met een platenproducent. Misschien dat dat er iets mee te maken had.

Ik zelf was Hollywoodproducer. Schrijver en kredietwaardigheid schijnt een ongeloofwaardige combinatie te zijn. Ik ben in de leer geweest bij Alfred R. Broccoli, de grote James Bond-producer, zeg ik altijd tegen makelaars. Als ik in een goeie bui ben voeg ik eraan toe, “hij was als een vader voor me.” Geen makelaar vraagt me welke films ik heb geproduceerd, Hollywoodproducer verklaart alles.

“Laten we maar naar binnengaan,” zei ik.

Straks sprong ze die hond achterna. Wat wist ik van haar, behalve haar naam, haar beroep en dat ik haar eerste klant was.

“Het spijt me zo,” zei Joannie, “het spijt me zo.”

“Het geeft niet. Iemand moet de eerste zijn.”

We wierpen nog een blik op de jacuzzi. Een paar dagen daarvoor had ze me aangeboden de buurman van Al Pacino te worden. Ik heb haar uitgelegd dat ik het helemaal niet erg vond de buurman van Al Pacino te worden, maar wel als dat betekende dat ik in een konijnehok moest wonen met uitzicht op de keuken van een Chinees restaurant.

“Ik zal je mijn bandjes geven.”

“Graag,” zei ik.

“Zingen is mijn leven.”

“Dat zie ik.”

“Echt?” Opnieuw raakte ze mijn schouder aan.

“Als Hollywoodproducer heb je daar oog voor.” Ze hadden de hond nu weggesleept. “Misschien is ie toch gesprongen,” zei ik, “ze zeggen dat honden intelligente beesten zijn.”

Ze deed haar oordopjes in. Het lawaai van New York maakte haar gek. Ik dacht aan degene die had geschreven dat alleen dat heilig is waarvoor de mens moet betalen, met zijn werk of met zijn verlangen. En dat hij nu wist wie de echte heiligen waren.

We liepen naar haar kantoor. “Ik ben blij dat je me nu niet alleen laat,” zei ze. Ze had verteld dat ze bijna dertig was, maar haar handen zagen eruit alsof ze alleen maar in afwaswater hadden gezeten. Misschien had ze haar spaargeld gebruikt om haar gezicht te laten bijwerken.

Haar kantoor was een kleine ruimte met tien tafels waar vijftien makelaars werkten. Joannie deelde een tafel met een jongeman die de hele dag Russische kranten las en op telefoon wachtte. Net als al zijn collega's. Soms ging zijn beeper, maar dan was het zijn vrouw. Om de paar uur keek hij op van zijn krant en zei tegen niemand in het bijzonder, 'capitalism sucks.' Daarna ging hj weer verder met lezen.

Joannie had ook een beeper. Als ik haar oppiepte moest ik 333 intoetsen. “Dat is jouw nummer,” had ze gezegd.

De andere makelaars zaten aan hun tafels en lazen de onroerend-goed advertenties in de Times. Dat was een hopeloze bezigheid, want veel makelaars adverteerden met niet bestaande huizen. “Advertenties behoren tegenwoordig tot mijn eerste levensbehoefte,” had ik tegen Joannie gezegd. “Je kan er alles vinden wat niet bestaat en waarnaar je toch verlangt. Dat is precies waar het om gaat.”

Ik zat er over te denken ook makelaar te worden. Ik wilde zo langzamerhand weten wie de echte heiligen waren op deze wereld.

In haar vrije tijd maakte Joannie pennen die eruit zagen als rozen. Ze had er mij ook een gegeven.

“Ze hebben drie ton in me geïnvesteerd,” zei ze.

We stonden stil voor een stoplicht.

“En toen?”

“Toen gingen ze failliet.”

Ze pakte mijn hand. Ik had het gevoel dat ze iets belangrijks wilde gaan zeggen.

“Ik spreek ook Frans,” zei ze.

Daarna liepen we weer verder. Vlak voor we bij haar kantoor waren moest ze even op een bankje gaan zitten. Het was tegenover Central Park. Een buurt waar ik wel wilde wonen, had ik opgegeven.

Ze kotste toch nog onverwacht. Het zag eruit als diarree.

Eerst deed ik een paar stappen achteruit. Daarna sloeg ik zacht op haar rug.

Een man in driedelig pak kwam met servetten.

“Is het een kind?” vroeg hij.

Bij een hotdog-stand kocht ik een fles water.

Daarmee maakte ze haar schoenen schoon.

“Het is de spanning,” zei ik.

Van haar make-up was nu helemaal niets meer over.

Twee toeristen stapten in een koetsje met paarden ervoor. “Of de lunch.” Ik praatte als een gek. Ik wilde nu niet zwijgend naast haar zitten.

Gelukkig zei ze na een tijd, “ik moet mijn hond uitlaten.”

Voor we afscheid namen zei ze nog, “zingen is mijn leven.”

Voor de eerste keer raakte ik ook haar schouder aan en fluisterde in haar oor, “ik weet het Joannie, ik weet het.”

    • Arnon Grunberg