Kennisoverdacht van hart tot hart; Het verband tussen psychologie en literatuur

Een roman of toneelstuk kan treffend onthullen hoe raadselachtig de menselijke geest werkt. Literatuur en psychologie gaan over hetzelfde, hoewel psychologen op hun werk geen romans lezen. Maar een goede roman herinnert de psycholoog aan zijn opdracht.

Van de psychologie veronderstelt men dat zij als enige onder de wetenschappen een bijzondere en bevoorrechte relatie onderhoudt met de literatuur. Dat is een gedachte die niet alleen leeft bij schrijvers en bij sommige psychologen, maar vooral ook bij lezers. Lezers worden in dat oordeel gesteund door letterkundigen en literaire critici die ervoor gekozen hebben uit te leggen waarom een roman of toneelstuk psychologisch overtuigend is of juist treffend onthult hoe raadselachtig de menselijke geest in elkaar zit.

Als in een roman verschillende karakters uitgebeeld worden en als in de loop van het verhaal zich tussen die karakters een botsing of verzoening voltrekt, dan weet men zeker dat de schrijver hier een psychologisch oordeel uitspreekt dat onmiskenbaar van waarde is of juist buitengewoon onbeholpen. En dan zijn er nog de grote thema's zoals liefde, verslaving, rouw, eenzaamheid, onmacht, krankzinnigheid, radeloosheid, geluk, dood en passie, waarvan niemand toch zou durven zeggen dat zij niets met psychologie te maken hebben. Bovendien is het lezen van een roman een psychische belevenis die al snel een beroep doet op psychologische mechanismen als identificatie, afkeer, voorstellingsvermogen, overdracht en projectie, zodat indirect duidelijk wordt dat ieder die twijfelt aan de innige band tussen literatuur en psychologie verder niet moet zeuren.

Wat psychologie en literatuur met elkaar verbindt lijkt een vanzelfsprekendheid: zij gaan over hetzelfde. En daarom maakt het niet zoveel uit waaraan je je inzicht ontleent, want het komt steeds op hetzelfde neer: waardevolle mensenkennis is gelijkelijk over psychologie en literatuur verdeeld. Dat kan men van andere wetenschappen in veel mindere mate en vaak helemaal niet zeggen. Sociologie is als minnaar van de schone letteren een goede tweede, maar sociologie is dat vooral voorzover de psychologie daarin een woordje meespreekt. Fysica, wiskunde, metereologie, geneeskunde, biologie, rechten en zelfs geschiedenis hebben met de literatuur geen band van enige betekenis.

Natuurlijk kun je erop wijzen dat sommige schrijvers, zoals Musil, heel goed beschreven hebben onder welke condities je wiskundige ontdekkingen doet maar dat is nu juist het enige psychologische aspect aan de beoefening van de wiskunde en daarom geen goed tegenvoorbeeld. En datzelfde geldt voor de medicijnen en de rechtswetenschap. Voorzover zij een band met de literatuur hebben betreft dat de vraag hoe het voelt om ziek te zijn of te lijden onder ondraaglijk onrecht of justitiële willekeur. Dat is al evenzeer psychologie. De geschiedenis kent de historische roman als variant maar er is toch geen historicus die een historische roman raadpleegt als hij wil weten hoe het was. Hij vertrouwt op zijn archieven.

Vroeg of laat verdwijnen alle historische romans, net als alle andere romans, vanzelf in het archief van de historicus, maar zij worden daarmee een archiefstuk, niet een alternatief voor dat archief. Het lijkt dus aan geen twijfel onderhevig dat alleen de relatie tussen psychologie en literatuur volwaardig en uniek is. Stefan Themerson schreef een roman Professor Mmaa's Lecture en die roman was zoals de naam van de professor al aangeeft, een uitwerking van La vie des termites van Maurice Maeterlinck. Is die dan geen goed voorbeeld van hoe ook tussen biologie en literatuur een band kan bestaan die de twee disciplines gelijkwaardig maakt in hun pretenties? Ik zou zeggen, raadpleeg daarin uw bioloog en hij zal zeggen: nee, het werk van Themerson is biologisch gezien van geen enkel gewicht. Net zomin als het werk van Anton Koolhaas.

Als de literatuur dus vooral banden heeft met de psychologie en niet met al die andere vakken, is het vreemd dat de psychologie met die vakken wèl een band heeft, die van beide kanten wordt gewaardeerd en onvermijdelijk geacht. De psychologie onderhoudt, zoals dat in het jargon van buitenlandse zaken heet, goede betrekkingen met de biologie, de fysiologie, de medicijnen, de linguistiek, de informatica, de farmacie, de neurologie, de logica en zelfs de tandheelkunde en de economie. Dat lijkt een hedendaagse onvermijdelijkheid die mogelijk ten koste gaat van haar relatie met de literatuur.

Veel mensen staan er niet bij stil maar toch is het een waarheid als een koe dat een psycholoog aan de universiteit niet graag op zijn werk betrapt wordt met een roman van Remco Campert, terwijl hij een zekere bewondering afdwingt als hij betrapt wordt met de Principles of Neural Science van Kandel, Schwarz en Jessell. Hij lijkt in het tweede geval meer bereid door toegewijde studie iets van zijn vak te maken dan in het eerste geval, zelfs wanneer hij belangstelling zegt te hebben voor het verschijnsel der verliefdheid. Ook dan, liever neurowetenschap. Ik ken dan ook geen psychologen die op hun werk romans lezen. Dat moeten zij thuis doen. DOSTOJEVSKI

Dat is niet altijd zo geweest. In 1950 publiceerde de gezaghebbende Utrechtse psycholoog F.J.J. Buytendijk een monografie over De psychologie van de roman, nader toegelicht aan het werk van Dostojevski. Daarin maakt hij er geen geheim van dat het hem nuttig lijkt dat de psycholoog bij de romankunstenaar te rade gaat die vaak van het leven zoveel meer begrijpt dan hij. Buytendijk weet ook wel dat je in het werk van Dostojevski geen interessante informatie tegenkomt over de relatie tussen het semantische en het episodische geheugen of over de validiteit van een psychologische test of over de ware aard van optische illusies. Daarvoor hoef je Dostojevski dus niet te lezen.

Maar als je nalaat Dostojevski te lezen ontgaat je een dieper verband tusen psychologie en literatuur. Dat diepere verband is wat men toentertijd 'ervaring omtrent de mens' noemde. Het vanzelfsprekende en vooral beschaafde verlangen naar die ervaring wordt in de roman en in de psychologie gehonoreerd mits men zich erop instelt dat die ervaring slechts in 'liefdevolle toewending' gerealiseerd kan worden. Dan ontstaat kennis van hart tot hart, beweert Buytendijk in navolging van de psychiater Binswanger. En wie zou die kennis niet graag wensen, sterker nog wie kan leven met de gedachte dat niemand zich voor hem interesseert in een kennisoverdracht van hart tot hart. Volgens Buytendijk zou de psychologie wel een erg schrale wetenschap zijn wanneer zij de ander (toentertijd de filosofische aanduiding van u en mij) niet belangeloos wenste te ontmoeten. De romankunst, althans de goede, herinnert de psycholoog aan deze opdracht en geeft daarin het geslaagde voorbeeld.

Buytendijk zegt het zo: “De psychologische waarde van het verhaal is bepaald door wat men de scherpte van het waarnemingsvermogen en de invoelende intuïtie van de auteur noemt (...) het verschijnende transcendeert in de richting van zijnde, dat in elke verschijning verschijnt. Waartoe de gewone mens niet in staat is, dat kan de kunstenaar bereiken.” Tegenwoordig praat bijna niemand meer zo, maar ik geloof wel dat het waar is dat de huidige psycholoog weinig belangstelling heeft voor de ander tenzij hij hem ontmoet als proefpersoon.

Stel dat Buytendijk gelijk heeft en dat de psycholoog romans moet bestuderen, hoe bereikt hij dan dat het verschijnende daadwerkelijk transcendeert naar het zijnde oftewel hoe leert hij al lezende de dingen te doorzien. Het ligt voor de hand dat de psycholoog daarin de letterkundige volgt die in het interpreteren van romans een erkende bedrevenheid heeft. Maar hier gaat het pas goed mis. Een letterkundige beschouwt zichzelf inderdaad als een soort psycholoog maar in werkelijkheid is een letterkundige een psychoanalyticus.

Aan een psychoanalyse kan een psycholoog doorgaans geen touw vastknopen. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Neem hoofdstuk 17 uit de Max Havelaar van Multatuli. Dat hoofdstuk bevat de aangrijpende fabel van Saïdjah en Adinda. Iedereen kent dat verhaal. Tot driemaal toe wordt de buffel van Saïdjah's vader door het meedogenloze districtshoofd weggehaald om te gelde gemaakt te worden. Door zijn kris te verkopen en de daarbij behorende kostbare schede, kan hij zich een nieuwe buffel aanschaffen, tot ook deze geroofd wordt. De vader moet dan twee zilveren klamboehaken van de hand doen om opnieuw een buffel te kopen. Daarmee ploegt Saïdjah het land en het is deze buffel die over hem heen gaat staan als zij worden besprongen door een tijger die zodoende op de horens van de buffel zijn dood vindt. Maar ook deze buffel waaraan Saïdjah zijn leven dankt, moet worden ingeleverd en dan is aan de verpaupering niet meer te ontkomen. De vader vlucht, Saïdjah vertrekt naar de stad, nadat hij met de hem als bruid beloofde Adinda heeft afgesproken na drie jaar terug te keren om te trouwen. Maar ook dat gaat mis. Uiteindelijk sterft iedereen door de bajonet van de Nederlandse soldaat die orde en rust brengt. EROTISCHE SYMBOLEN

Deze samenvatting doet het verhaal natuurlijk geen recht, maar we moeten ergens beginnen. Onmiskenbaar bevat de fabel een aanklacht tegen het onmenselijke koloniale systeem dat zelfs aan de liefde van Saïdjah en Adinda elke kans tot ontluiken ontneemt. Menig lezer, ook de psycholoog, vindt dit een ontroerend hoofdstuk. Maar wat zegt de letterkunde nu: die ontroering moet psychoanalytisch verklaard worden. Die ontroering bij de lezer is de eerste stap bij de ontraadseling van een geheim, laten we zeggen de eerste stap van transcendentie van het verschijnende in de richting van het zijnde. Het gaat natuurlijk om de relatie moeder, vader, kind.

De vader verkoopt de kris en de schede en in tweede instantie de twee gebogen klamboehaken: allemaal erotische symbolen. Is er sprake van een ongeoorloofde relatie tussen moeder en zoon waarbij de vader wat hem eerst toebehoorde moet inleveren; natuurlijk. De letterkunde zegt van wel. De buffel die over Saïdjah heen gaat staan, is het moederdier dat de tijger, symbool van de vader, op de horens neemt. Zij beschikt over horens omdat zij als buffel de moeder met de penis uitbeeldt, enzovoort. Ach, de letterkundige analyse is zoveel rijker dan ik hier vermeld, maar dit is toch genoeg om de vraag te stellen of zo'n analyse niet volkomen krankzinnig is. Ik heb een en ander ontleend aan een bundel 'Literatuur in psychoanalytisch perspectief' waarin een aantal hoogleraren in de letterkunde voordoen hoe je de psychologisch relevante informatie opspoort die de literatuur bevat en de psychologie zo node ontbeert. Men kan over de waarde van deze psycho-analytische studies eindeloos twisten maar dat is een academische luxe, gezien het empirische feit dat vrijwel geen enkele psycholoog zijn inzicht omtrent de mens hiermee verrijkt acht.

Wat is dan de relatie tussen literatuur en psychologie als deze niet bemiddeld wordt door de letterkunde? Ik neem graag aan dat zowel de literatuur als de psychologie interessante mensenkennis bevat en dat die kennis soms gelijkluidend is, maar het vreemde is dat literatuur en psychologie zich geen enkele moeite getroosten hun beider kennisbestand in overeenstemming te brengen en ik geloof dat ook niemand vindt dat dat eigenlijk zou moeten.

Als een romanschrijver laat zien dat zijn hoofdpersoon plotseling kan vliegen door tweemaal zijn neus op te halen reageert de fysica niet gealarmeerd. De psychologie is in dezelfde positie als de fysica. Zij is bij wijze van spreken niet beducht voor het psychologisch inzicht van de schrijver. Er is geen rivaliteit en daardoor ook eigenlijk niets wat psychologie en literatuur verbindt. Niemand is bang dat hij een subsidie misloopt omdat in een roman van welke schrijver dan ook al de onmogelijkheid van het onderwerp is uitgebeeld. Geen ontwikkelingspsycholoog zal denken dat orde en tucht reeds hun nut bewezen hebben sinds Bint van Bordewijk. Dat hoeft dus nog niet eens overgedaan te worden?

Maar er is ook geen romanschrijver die serieus studie maakt van het werk van, laten we zeggen, J.J. Gibson over ons vermogen informatie te ontlenen aan de verstrooiing van het licht, omdat hij een piloot tot hoofdpersoon van zijn roman maakt. Gibsons werk vindt zijn oorsprong in de vraag hoe een piloot erin slaagt te landen als hij op zijn gezichtsvermogen moet vertrouwen. Als de piloot het in de roman anders doet dan Gibson voorspelt beschouwt niemand dat als een weerlegging. De literatuur ontleent geen norm aan de psychologie, houdt er slechts naar willekeur rekening mee, zit er vaak naast zonder iets aan literaire kwaliteit te verliezen, is grillig en onsystematisch en kent geen problemen. Vooral dat laatste is van belang. De psychologie als wetenschap kent problemen. Het is mogelijk een rijtje problemen te geven die nog moeten worden opgelost wil het vak zich van progressie verzekerd weten. Daar bestaat overeenstemming over. CREOLISERING

In de literatuur is dat ondenkbaar. Er zijn geen harde noten die nog gekraakt moeten worden, waarbij alle hoop gevestigd is op Harry Mulisch. Er is ook geen verleden in de literatuur zoals dat in de psychologie bestaat. Er is geen literaire standaardkennis, die elk literator moet beheersen voor hij begint. Men zegt niet, na Proust en Vinkenoog is de liefde voldoende beschreven en opgelost. Kijk het voor de zekerheid nog even na bij Garmt Stuiveling. Het is in de literatuur ook helemaal geen zinloze moeite als iemand nog eens beschrijft hoe lastig het is een dubbelganger te ontmoeten. Het is voor de letterkunde zelfs wel leuk als hij het doet, want elke nieuwe bijdrage verruimt de zo geliefde intertextualiteit.

In de psychologie zijn sommige onderwerpen uitgeput of onvruchtbaar gebleken. Er bestaat in de literatuur geen onvruchtbaar onderwerp. Wel onvruchtbare schrijvers. In de literatuur is niets uitgesloten maar dus ook niets ingesloten. Zou men, gelet op de volkomen willekeur die in de literatuur heerst, de groei van mensenkennis overlaten aan de romanschrijvers dan ontstaat wat in de linguïstiek creolisering heet, een primitieve taal die zich ontwikkelt bij afwezigheid van enige gemeenschappelijke taal. Mensenkennis die nauwelijks gehonoreerd is. Die normen zou alleen de psychologie kunnen leveren, als daar in de literatuur ooit al behoefte aan is.

Maar dit kan toch niet waar zijn. Psychologie en literatuur gaan toch over hetzelfde. Dat zei Buytendijk toch al? Als je de hedendaagse psychologie beziet gaat zij vaak niet over hetzelfde als waar de literatuur over gaat omdat zij zaken onderzoekt, waar een schrijver zich als schrijver nauwelijks voor interesseert, zoals spraakproduktie, het herkennen van letters, de gevoelswaarde van getallen, het afstand schatten bij oversteken, het modelleren van het geheugen, het telefonisch enquêteren en het leren van woordjes tijdens narcose. Maar zoals gezegd, literatuur kan over alles gaan en als een schrijver dat wil schrijft hij een roman over hoe het is om woordjes te leren tijdens narcose.

Daarin bestaat de band tussen literatuur en psychologie, zij het met één voorbehoud. Wat een schrijver over wat voor onderwerp ook zegt bevat geen kennis, maar slechts een suggestie van kennis. De literatuur doet de psychologie in het beste geval een suggestie aan de hand. Een roman bevat hypotheses, die plausibel kunnen zijn, maar binnen de roman niet worden getoetst. Dat zou de psychologie moeten doen, als zij er iets in ziet. Dan komt het voor dat een onderzoeker een literair citaat als motto gebruikt of zelfs als argument, maar bedenk dat zo'n citaat pas een argument wordt als een psycholoog het in een ruimer betoog de status van argument verleent en daar moet hij onafhankelijk beproefde redenen voor hebben.

    • Jaap van Heerden