Jagen in het paradijs; Biografie van Antoine Payen, schilder van Nederlands-Indië

De Belgische schilder Antoine Payen vertrok in 1817 naar Nederlands-Indië om in opdracht van de Nederlandse regering land en bewoners vast te leggen. Payen hield ook een dagboek bij, dat nu eindelijk, in Nederland, is uitgegeven, samen met een meeslepende biografie. “Payen was een enthousiast natuur- en vogelliefhebber, maar dat hield ook in dat hij alles dat hem interesseerde zonder aarzeling uit de lucht pafte.”

Waarop berust toch het merkwaardige vermogen van Indonesië om zo volledig bezit van iemand te nemen? Wie er enige tijd heeft doorgebracht is voor de rest van zijn leven aangestoken; zo viel het mij op dat de Belgische kunstschilder Antoine Payen, die van 1817 tot 1826 in Nederlands-Indië doorbracht, nog jaren later naar het land verwees als zijn 'seconde patrie'. Dat effect hebben niet alle landen op iemand die er acht jaar heeft gewoond.

Payen is de enige landschapsschilder die het Nederlands-Indische Gouvernement ooit in dienst heeft gehad. Het oorspronkelijke doel van zijn functie was het maken van een collectie schilderijen die de mensen in Europa een idee zou moeten geven van het land en zijn bewoners, maar omdat Payen ook een opleiding als architect had genoten kwam er weldra ook het ontwerpen en restaureren van gebouwen aan te pas. Het was met een opdracht op voornamelijk dit laatste terrein dat Payen zich bij het uitbreken van de Java-oorlog in Djokja bevond en daar het beleg van de kraton meemaakte; over het boeiende dagboek dat hij van deze dramatische gebeurtenissen heeft bijgehouden heb ik hier al eens tamelijk uitvoerig geschreven ('Het beleg van Djokja', 10-9-1993), naar aanleiding van de Franse uitgave van Payens journaal .

Het is een opwindende gebeurtenis dat dit dagboek, tesamen met de vier andere (in andere periodes geschreven), plus enkele bewaard gebleven brieven en voorafgegaan door een zeer doorwrochte biogafie, nu eindelijk in Nederland is uitgegeven (zij het in het Frans), onder de titel Antoine Payen, Peintre des Indes orientales. Deze omvangrijke arbeid was het werk van een in Nederland wonende Française, Marie-Odette Scalliet, die er kortgeleden in Leiden op is gepromoveerd.

Dit boek is een voorbeeld van hoe een werk van uiterst zorgvuldige en ingewikkelde uitzoekerij toch meeslepende lectuur kan opleveren; ik heb het na er in te zijn begonnen niet meer neergelegd en herlees er, uitsluitend voor mijn genoegen, nog voortdurend allerlei passages in.

Wat is het dat het boek zo leesbaar maakt? Een zekere geneigdheid tot extrapolatie is er niet vreemd aan. Zo speelde mij, lezend dat het schip waarmee Payen naar Indië ging onderweg Rio de Janeiro aandeed (zoals gebruikelijk op de zeilroute rond de Kaap), vagelijk door het hoofd dat Payen, voorbestemd om officieel schilder van Oost-Indië te worden, tijdens dat oponthoud misschien een gedachte zou hebben gewijd aan Frans Post (1612-1680), in mijn ogen de beste schilder van Nederlandse overzeese gewesten die we gehad hebben. En dan vind ik, verrast, in Scalliets biografie deze passage: 'Dacht Payen aan Frans Post, die zo'n honderdtachtig jaar eerder de omgeving van Recife doorkruiste, toen hij, uitgerust met zijn 'schilderskit', de bergen in trok die boven de stad liggen, op zoek naar landschappen en schilderachtige plekken, de welhaast onafscheidelijke woorden die zo vaak in zijn dagboeken voorkomen? Voelde hij zich de navolger van die verre meester wiens belevenissen, eveneens onderdeel van een officiële opdracht, punten van overeenkomst vertoonden met degene die hij zojuist aanvaard had?' Zoiets lees ik dan met een discreet gevoel van herkenning en plezier in de formulering (in het Frans); maar officieel zijn het uiteraard tot niets concreets leidende retorische vragen, 'speculatie zonder wetenschappelijke waarde'.

Maria Dermoût

Ik was al meteen voor dit boek gevallen omdat de schrijfster bij een passage over Ambon de naam van Maria Dermoût laat vallen. De context alleen al is zo fascinerend: tijdens een bezoek aan Ambon in 1824 moet Gouverneur-Generaal Van der Capellen Payens advies hebben gevraagd, in diens kwaliteit van architect, over de mogelijkheid een kanaal te graven door de smalle landtong die de twee delen van Ambon, Leihitoe en Leitimoer, met elkaar verbindt. De Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië vermeldt dat er 'vroeger' een kanaal is geweest 'dat thans [dus omstreeks 1900] verzand is'. Dat zou dan het kanaal van Payen hebben moeten zijn. Scalliet schrijft dat zij op geen enkele kaart een spoor van een dergelijk kanaal heeft kunnen vinden, en dat er van het plan vermoedelijk nooit wat terecht is gekomen. En dan voegt zij er aan toe: 'Deze plek, waar zich het dorpje Passo bevindt, zou niettemin op een andere manier onsterfelijk worden gemaakt: zowat negentig jaar later zou een jonge vrouw, Maria Dermoût, tussen de binnen- en buitenbaai wandelen en de beelden en indrukken in zich opnemen die zij zo levendig en duidelijk weer zou geven in haar roman (of verzameling verhalen) Les dix mille choses (De tienduizend dingen).'

Les dix mille choses! Een Nederlandse historicus zou zijn werk veel te serieus en te wetenschappelijk achten voor een dergelijke literaire verwijzing. Maar het leggen van zo'n verband heeft nu juist de eigenschap het verleden tot leven te brengen; je moet er natuurlijk wel voor behoren tot het selecte gezelschap dat De tienduizend dingen heeft gelezen; wat blijkt is dat dit boek dus ook voor iemand die niet in Indië, ja zelfs niet in Nederland is opgegroeid herkenbaar is als een meesterwerk.

Zo zit het werk van Scalliet vol erudiete en merkwaardige verrassingen, vaak bijprodukten van het geduldig natrekken van de kleinste details. Bijvoorbeeld over het monument voor Rumphius, waar ik op Ambon, als nietsvermoedend slachtoffer van de omstandigheid dat Indonesiërs niet graag zeggen dat iets er niet is of dat ze niet weten waar iets is, nog van hot naar her voor gedraafd heb. Nu pas, dankzij voetnoot 286 van de biografie, weet ik de oplossing van het mysterie: 'dit grafmonument bevond zich in Kota Ambon, op een lapje grond aan de Olifantstraat. Het was inderdaad 'aan het oog onttrokken' want het werd een jaar of vijftig geleden begraven (!), bij de bouw van een school. Dankzij de bemoeienissen van het 'Greshoff-Rumphius Fonds' zal het monument binnenkort worden opgegraven en gerestaureerd.' Moge dit een tip zijn voor de televisie om er wanneer dat gebeurt een cameraploeg op af te sturen.

Neushoornvogels

Iets dat mij ook zo voor Scalliet inneemt is dat zij beseft dat op Java, in de tijd dat Payen daar was, niet alleen de flora maar vooral de fauna nog van een sprookjesachtigheid was waar men zich nu geen voorstelling meer van kan maken: dat 'het hele eiland een ware dierentuin was van onbeschrijfelijke rijkdom, waarin men op een bospad een hoek omslaand het risico liep van aangezicht tot aangezicht te staan met een tijger, een panter of een rinoceros. Moeilijk voorstelbaar is ook dat je maar omhoog hoefde te kijken om het geluk te smaken 'een vijftigtal neushoornvogels' in een boom te zien zitten, 'kwetterend en groot kabaal makend'..'

Payen was een enthousiast natuur- en vogelliefhebber, maar - en dat is dan misschien de keerzijde van die paradijsachtige situatie - het hield ook in dat hij alles dat hem interesseerde zonder aarzeling uit de lucht pafte. Het moderne inzicht dat alle jagers zonder uitzondering ploerten zijn is duidelijk niet toepasbaar op die tijd; het is goed zich te herinneren dat het de periode was waarin over de hele wereld musea voor natuurlijke historie verrezen, om gevuld te worden met de miljoenen en nog eens miljoenen opgezette dieren waar men nu geen raad meer mee weet. 'Specimens verzamelen', dat was toen de boodschap.

Maar toch heb ik er de grootste moeite mee als ik lees hoe het ene dier na het andere genadeloos vermoord wordt. Er wordt een rinoceros - de nu uitgestorven éénhoornige Javaanse badak - doodgeschoten, die zwanger blijkt te zijn; ik herlees de woorden, verstijfd van schrik maar het staat er werkelijk: 'Het was een vrouwtje: ze was zwanger en de professor, die haar open liet snijden, haalde er een volledig gevormd jong uit, dat volmaakt gelijk was aan de moeder.' Payen noteert die dingen zonder een teken van emotie. 'Tjandra had een loetoeng [aap] geschoten die op de vlucht haar jong liet vallen. Dit diertje is geheel rossig, met een grijs gezichtje. Ik zal moeite hebben het in leven te houden, gezien het feit dat ik niet aan melk kan komen.' Vertwijfeld kijk ik de aantekeningen van de volgende dagen door om te zien of hij er nog op terugkomt, maar nee, hij vond het blijkbaar niet belangrijk genoeg. Payens Deense collega-tekenaar Theodoor Bik noteert in zijn dagboek dat Payen een driftkop is, die in een vlaag van woede zijn 'aardige zwarte hondje' doodt. Dit dier 'had hem gestoord toen hij op het punt stond een mooie zeldzame vogel te schieten.'

De bewondering die ik voor Payen koesterde heeft na het lezen hiervan een knauw gekregen waar het bekende argument van de andere zeden in andere tijden niet veel tegen vermag. Je kijkt met nieuwe ogen naar de portretten van Payen, getekend door Jan Bik, de broer van Theodoor en ook tekenaar: zo'n intelligent en gevoelig gezicht, dat veel meer in overeenstemming is met de indruk die je je vormt uit zijn dagboeken, en ook uit zijn eigen tekeningen en zijn schilderijen.

Over Payens schilderijen wordt door kunsthistorici gewoonlijk nogal zuinig gedaan, misschien terecht als je ze met die van Frans Post vergelijkt, maar ze roepen bij mij in elk geval niet of nauwelijks die karakteristieke wrevel op die westerse kunst (vooral olieverfschilderijen) die Indonesië en/of Indonesiërs tot onderwerp heeft meestal bij mij teweeg brengt. Waar dat precies door komt kan ik niet verklaren: het is of op zulke schilderijen de Indische realiteit vertekend is - Indonesiërs zien er uit als verklede en bruin gemaakte Europeanen, en met de natuur is iets soortgelijks aan de hand, het heeft in mijn ogen de gedaante van nep, alsof het van plastic is; ook de kleuren kloppen bijna nooit. Niet alleen door Europeanen gemaakte schilderijen hebben dat, ook de Indonesische westerse kunst, bijvoorbeeld de schilderijen die je bij Indonesiërs aan de muur ziet hangen, zijn vrijwel zonder uitzondering afstotelijk.

Vooral Payens tekeningen zijn mooi en roepen bij mij zonder verdere mentale complicaties herinneringen aan Indonesië op. Zo is er bijvoorbeeld een tekening van een kamponghuisje dat gisteren getekend zou kunnen zijn (in plaats van 175 jaar geleden). En, detail waar mijn gemoed krachtig op reageert, in de linkerbovenhoek heeft Payen wat bilik getekend, de gevlochten bamboe waar iedereen die in Indonesië geïnterneerd is geweest levendige herinneringen aan bewaart.

Antoine Auguste Joseph Payen werd geboren in Brussel 12 November 1792; hij stierf in Doornik 16 Januari 1853. Wie wil weten wat daar tussenin is gebeurd moet onverwijld Scalliets boek kopen. Ik ben mij ervan bewust dat het meeste ongenoemd is gebleven; helaas! er zou een heel CS mee zijn te vullen.

1. A.A.J. Payen: Journal de mon voyage à Jocja Karta en 1825. The Outbreak of the Java War (1825-30) as Seen by a Painter. Edited by Peter Carey. Cahier d'Archipel No 17. Association Archipel, Paris 1988. 2. Marie-Odette Scalliet: Antoine Payen, Peintre des Indes Orientales; Vie et écrits d'un artiste du XIXe siècle (1792-1853). Leiden, Research School CNWS 1995. 816 blz. Prijs ƒ 80,-. Te bestellen bij CNWS, Postbus 9515, 2300 RA Leiden, tel. 071-272171 of via de boekhandel.

    • Rudy Kousbroek