Foto's van Erich Lessing in Groningen; Uit de tijd voordat vrede en welvaart gewoon werden

Tentoonstelling: Erich Lessing. Galerie Sign, Winschoterkade 10, Groningen. Geopend: di., wo. vr. 12-18; do. 14-18, za. 12-17 uur, t/m 5/11.

Dit is een kleine tentoonstelling, bij de Groningse galerie Sign, in het bijzonder interessant voor mensen die de eerste helft van de Koude Oorlog bewust hebben meegemaakt en jongeren die willen weten hoe het toen was. De vrede stond in zijn kinderschoenen, proeven met atoombommen en waterstofbommen werden gewoon in de openlucht gehouden, de armoede van de vorige oorlog veranderde heel langzaam in een algemene dragelijkheid, maar toch moest je er van tijd tot tijd ernstig rekening mee houden dat de volgende oorlog op uitbreken stond. Niets wees erop dat de geweldige verschijnselen van welvaart en televisie in aantocht waren. De mensen, de Europese massa's leefden sober, er was geen parkeerprobleem of cellentekort en de grote media van het kijken waren de geïllustreerde weekbladen, Life, Paris Match, de Picture Post.

Met de jaren zestig is dat allemaal anders geworden. Plotseling was de periode radicaal voltooid. De Oostenrijker Erich Lessing, lid van de fotografencoöperatie Magnum, is erbij geweest toen vrede niet gewoon was. De hier bijeengebrachte collectie uit zijn omvangrijke werk dateert voornamelijk uit de jaren vijftig. Hoewel beperkt, is het voldoende om het wezen van zowel de fotograaf als de periode te leren kennen. Lessing heeft in die tijd geen artistieke bedoelingen gehad. Hij stelde zoals veel van zijn collega's uit de coöperatie de precisie van blik boven het kunstzinnig gehalte. Hij was toen in de eerste plaats nieuwsfotograaf, en pas daarna zonder opzet ook nog kunstenaar. Onder sommige omstandigheden heeft dat zijn voordelen. In de beeldende kunst zijn er twee soorten talenten: dat van de nauwkeurigheid zonder toevoegingen, en het andere dat een persoonlijke creativiteit bij de weergave van de werkelijkheid toelaat, of zelfs daarop uit is. Het laatste brengt in hoge mate het nieuws uit en van hun eigen ziel. Nieuwsfotografen schieten daarmee niets op - er zijn maar weinig zielen waaruit wereldnieuws tevoorschijn komt - en hun opdrachtgevers zijn er evenmin gelukkig mee.

Hoe komt het dan dat ook in de fotografische weergave historische perioden zoveel van elkaar verschillen (ervan afgezien natuurlijk dat er telkens andere mensen en voertuigen opstaan en de techniek haar rol speelt)? Omdat iedere periode ook een eigen geest heeft, een overwegende stemming die pas later zichtbaar wordt. Ieder tijdvak heeft zijn eigen kenners die de geest vastleggen. De kenner maakt de keuze.

Er zijn perioden waarin achteraf de zomer het belangrijkste jaargetijde blijkt te zijn geweest: de eerste tien jaar voor de Eerste Wereldoorlog. Het straatbeeld was zomers, de vrouwen, de kleding; zelfs de dieren gedroegen zich zomers. De jaren twintig hebben geen seizoen. Dan volgt de gepolitiseerde grimmigheid gepaard aan het aandoenlijke wat al bij voorbaat voorbij is. Wetenschap achteraf, want we weten hoe het is geëindigd. En toch: al die foto's lijken nu een voorspellende kracht te hebben gehad. Documenten van levens die al niet meer bestonden, gezichten vol zelfvertrouwen op niets, drukte in de nervositeit van de aanstaande ondergang, gebouwen, steden die al puinhoop waren. De geschiedenis die met de camera is vastgelegd, de nieuwsfotografie, bestaat uit opgewonden snapshots van honderden soorten gedoe voor een wereld van ten dode opgeschreven coulissen.

Na 1945 moet weer een modern leven worden opgebouwd, maar met wat en hoe? De theorie is er: van voor de oorlog, uit New York en Hollywood. Maar in Europa beschikt men voornamelijk over puinhopen, distributiekaarten en versleten kleren en de helft is bezig communistisch te worden. Dat zijn niet de aangewezen voorwaarden voor een optimistische levenshouding. En toch, zie je nu de zwart-wit fotografie van alle Magnum-fotografen, ook in de ogenblikken waarin ze een pure uitzichtloosheid hebben vastgelegd, dan stemt je dat per vereenzelviging niet triest. Er deelt zich geen wanhoop aan je mee. Hoe komt het?

Een ander lid van Magnum, Inge Morath, heeft het als volgt uitgedrukt: 'Eind jaren vijftig verloren we onze onschuld omtrent bezit maar voordien was het een leuke tijd. Ik heb nooit een Cadillac willen hebben maar het was geweldig om erin te rijden. Voor weinig geld had je al een bontjas. En roken natuurlijk: er waren dingen die je gewoon prettig vond en waar niet over gepraat werd. Een dieet? Ik heb nooit iemand over een dieet horen praten. Iedereen was hongerig en dus betrekkelijk mager. Er waren een stel zwervers, straatfotografen, het deed er niet toe waar je heen ging, wanneer je terug kwam. We hadden weinig geld nodig en de intellectuele roes was heerlijk. De meesten van ons gebruikten kleine camera's met afstandsmeters. Het was een ander soort fotografie, met afstandsmeters. Het was in die tijd een goed gevoel, fotoreporter te zijn; de kunst ging voor alles.' , aldus Inge Morath tegen Mary Blume, in het boek Toen de oorlog voorbij was (Amsterdam 1985).

Erich Lessing, geboren in Wenen, 1923, is in 1947 als fotograaf begonnen bij Associated Press. In 1951 werd hij opgenomen in Magnum, het hoogst bereikbare. Tot het begin van de jaren zestig is hij 'bij het nieuws' gebleven: in Berlijn, achter het IJzeren Gordijn, bij straatscènes, schoonheidswedstrijden en topconferenties (o.a. waar de Geest van Genève werd geboren, in 1955), de reusachtige beelden van Stalin, kale boulevards zonder verkeer, de Hongaarse opstand. Alles in zwart-wit, wat in dit geval wil zeggen, alles in talloze nuancen grijs, gespeend van de verfraaiingen der modieuze felheid, in grandeur en misère van een historisch onherhaalbare naïviteit. Zo is het geweest, dacht ik telkens, en er schoot me een liedje te binnen van Peggy Lee: Is that all there is. Nee, meer is het niet geweest: de prille jeugd van het naoorlogse Westen. Dit deel van Lessings oeuvre, het hele werk van Magnum uit die tijd laat zich bekijken als een album van de jonge jaren.

    • Henk Hofland