Een parade van getikte bijbelverkopers

Hoe een praatzieke grootmoeder haar familie, per auto onderweg van Georgia naar Florida, van het ene ongeluk in het andere stort is te lezen in de verhalenbundel Goede mensen zijn dun gezaaid, het debuut van Flannery O'Connor. “Maar weinig schrijvers zijn in staat de nachtzijde van het bestaan zo precies en beklemmend in kaart te brengen als zij dat heeft gedaan.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Flannery O'Connor: Goede mensen zijn dun gezaaid. Vert. Molly van Gelder. Uitg. Bert Bakker, 216 blz. Bij De Slegte voor ƒ 9,95

Wat zou het geheim toch zijn, heb ik me meer dan eens afgevraagd, wat maakt dat haar verhalen en romans, juist die van haar, beklijven, terwijl het werk van zoveel even gewaardeerde auteurs na verloop van tijd verdampt tot een mistige herinnering? Komt het door haar personages, die parade van getikte bijbelverkopers, verblinde profeten, wraakzuchtige kreupelen, koppige kinderen en onbarmhartige boerinnen, die allen op eigen wijze zo wanhopig hun best doen betekenis te geven aan hun harde levens? Ongetwijfeld, maar meer nog dan deze komische, groteske en -niet te vergeten- gewelddadige buitenstaanders die ronddolen in een wereld van kwaad en verschrikking acht ik de nauwkeurigheid, de intensiteit waarmee Flannery O'Connor een sfeer van onbehagen weet op te roepen verantwoordelijk voor het vasthaken van haar proza. Maar weinig schrijvers zijn in staat de nachtzijde van het bestaan zo precies en beklemmend in kaart te brengen als zij dat heeft gedaan. Souverein, met zowel stilistisch raffinement als tirannieke meedogenloosheid dirigeert ze haar personages naar hun onontkoombare (nood)lot, wat niet zelden samenvalt met een moment van inzicht, demasqué of openbaring.

Flannery O'Connor was, misschien wel vóór alles, een katholieke vrouw. Mysterie, geloof en genade spelen een belangrijke rol in haar boeken, maar, haast ik mij er aan toe te voegen, zonder dat dit ongenietbaar, stichtelijk proza oplevert. 'Zij behoort tot het kamp van de Duivel, zonder het zelf te weten' merkte collega-auteur John Hawkes ooit over haar op. Goddank, zou je bijna zeggen, want juist dat diabolische verleent haar werk zijn uniciteit.

Nogal wat literatuurwetenschappers rekenen Flannery O'Connor - en met reden - tot de 'zwarte' traditie in de letteren, de traditie van Baudelaire, Poe en Céline. Met evenveel recht zou je haar een humoristisch schrijfster kunnen noemen. Dat hybridische, verantwoordelijk voor de spanning tussen het komische, groteske en het claustrofobische, dreigende, maakt haar werk zo fris en raadselachtig.

'Om te slagen moet een komische roman over zaken van leven en dood gaan,' schreef zij in het voorwoord van haar roman Wise blood. Het bewijs van haar gelijk levert ze meteen al in haar debuut, de verhalenbundel Goede mensen zijn dun gezaaid. In het titelverhaal is een grootmoeder (tegen haar zin) samen met het gezin van haar zoon onderweg van Georgia naar Florida. Door toedoen van de grootmoeder krijgt de familie een ongeluk. De wagen waarin het gezelschap onderweg is, slaat over de kop en belandt in een diepe greppel. Even later stopt er een andere wagen. Drie mannen stappen uit, naar het lijkt om de familie te hulp te schieten. De grootmoeder herkent een van de mannen als de voortvluchtige, psychopatische moordenaar waarover ze in de krant heeft gelezen. Praatziek als ze is, openbaart ze die kennis. Terwijl de handlangers van de moordenaar haar familie in groepjes afvoeren en in het bos liquideren, probeert de grootmoeder met onuitputtelijke reserves van overredingskracht de moordenaar te overtuigen dat hij eigenlijk een goed mens is.

Dat is hij niet.

Zo naverteld lijkt het een tamelijk gruwelijk verhaal, wat het eerst en vooral ook is, maar, vreemd genoeg, stemt het lezen ervan tevens tot vrolijkheid.

In De rivier maken we kennis met een typisch O'Connor-jongetje, eigenwijs, nors en een tikje leugenachtig. Zijn moeder slaapt haar roes nog uit als hij wordt opgehaald door zijn oppas, een vrouw die balanceert op de grens van godsdienstwaanzin. De oppas neemt het jongetje mee naar een gebedsgenezing die in en bij een modderige rivier plaatsvindt. De predikant is, zoals hij tot aan zijn knieën in het stromende water staat, eveneens een volbloed O'Connor-personage. 'Hij was een lange jongeman in een kakibroek die hij zo hoog had opgerold dat het water er niet bij kon. Hij had een blauw hemd aan en een rode sjaal om zijn nek maar geen hoed op, en zijn lichtblonde haar liep uit in bakkebaarden die zich in de holtes van zijn wangen kromden. Op zijn benige gezicht lag de rode weerschijn van de rivier.'

Op verzoek van de oppas doopt de predikant het jongetje in het water van de rivier. Aan het eind van de dag wordt het kind, beduusd en in de war door wat hem is overkomen, thuis afgeleverd. De volgende ochtend verlaat hij, terwijl zijn ouders nog slapen, het huis. In de ban van een gloeiend visioen - een tweede doop, door hem zelf te verrichten - keert hij op eigen houtje terug naar de rivier.

De romans en verhalen van Flannery O'Connor spelen zich af in het diepe Zuiden van de Verenigde Staten, waar zij zelf woonde en werkte tot ze in 1964 stierf. Ze was 39 jaar en liet een even bescheiden als intrigerend oeuvre na: twee verhalenbundels en twee romans. Drie van de vier titels treft u aan in de ramsj. Laat u niet afschrikken door de onooglijke omslagen. Daarachter wacht u de meesteres van de zwarte ironie.

    • Kees van Beijnum