Een olifant als bijzettafeltje; Roman van Jaap Scholten over Twentse textielbaronnen

Jaap Scholten: Tachtig. Uitg. Thomas Rap, 285 blz. Prijs ƒ 34,50.

Soms zijn het niet eens de slechtste boeken die je na lezing meteen vrijwel volledig vergeet. Tachtig, het romandebuut van Jaap Scholten, die eerder een verhalenbundel publiceerde, is daar een voorbeeld van. De roman is behendig geschreven, af en toe amusant en soms zelfs even bijna ontroerend. Maar de indruk die hij achterlaat grenst uiteindelijk toch aan niks. Te weinig in elk geval. Er blijft weinig meer van hangen dan één mooie vertelling - over een dood circusolifantje - en een melige, maar niet onaardige grap:

'Typisch Twents drankje, zestien letters!'

'Cóóólaaaaaaaaaaa.'

Toch is Tachtig in aanzet geen boek dat volstrekt pretentieloos wil zijn. De roman speelt zich af in het onttakelde Twentse textielpatriciaat van nu. Hoofdpersoon is de 23-jarige gesjeesde student Frederik, een van de jongste telgen uit een geslacht van textielbaronnen. Hij keert voor vijf dagen terug naar Twente om daar op het huis van zijn moeder te passen. Hij mist zijn verdwenen vader, de status en de tradities van zijn familie bieden geen onderdak meer en ook verder is hij zoekende. Leegte alom; en in de vijf dagen die hij in Twente doorbrengt, komt die leegte in volle hevigheid op hem af.

Dat alles is mooi materiaal voor een verrassende roman. Al was het maar omdat dat Twentse textielpatriciaat een soort levende geschiedenis is. Zowel de representanten van de Goede Tijd als die van de Slechte zijn nog in leven. Breng je die bij elkaar in een roman, zoals Scholten doet, dan kan er een dramatisch interessant soort wrijving ontstaan. Zeker als de auteur, zoals Scholten, zelf afkomstig is uit de kringen die hij beschrijft.

Scholten kondigt die wrijving ergens ook aan: 'Het schijnt een regel te zijn: eerste generatie zet iets op, tweede generatie bouwt het uit, derde generatie richt het te gronde.' Maar hoewel Frederik, representant van de derde generatie, in Twente een stoet vertegenwoordigers van de eerste en tweede generatie krijgt te verwerken, blijft het dramatische conflict tussen hen achterwege.

Dat komt vooral doordat Scholten zich er wat gemakkelijk vanaf maakt. De overige leden van Frederiks familie - moeder, broers, ooms en tantes, 80-jarige oma - zijn niet meer dan schetsmatige figuren. Frederik zelf krijgt alle ruimte. Maar hij is teveel een type roman-jongere dat we zo langzamerhand kunnen dromen: de leegte gaat hij te lijf met drank, vrouwen en studentikoze uitspattingen. Van Frederik gaan er, met andere woorden, dertien in een dozijn. Gezien het originele materiaal dat Scholten in zijn roman in handen heeft, is dat een teleurstellend mager resultaat.

Teleurstellend is het ook omdat Scholten wel degelijk wat kan. De passage waarin Frederik, op een van zijn dronken tochten, in een destructiebedrijf belandt en daar een dood circusolifantje ziet liggen, is prachtig. Zijn metgezellen willen er een bijzettafeltje van maken, maar Frederik wordt vooral aan zichzelf herinnerd. Aan zijn verweesde status en aan de mogelijkheid van een heroïscher leven. 'Ik doe mijn ogen dicht. Ik probeer aan de olifant in Afrika te denken. Ik zie mezelf op zijn rug, wiegend door de jungle.'

Maar één keer raak in 280 bladzijden is wat weinig.