Diepvriezers

Optima 48. Uitg. Contact, 101 blz., Prijs ƒ 12,50.

Optima slaagt er steeds beter in oud en jong talent aan te trekken. De verbintenis met uitgeverij Contact leverde voor het nieuwe nummer een verhaal op van Renate Dorrestein, die anders zelden of nooit voorpubliceert in literaire tijdschriften. In 'Verborgen gebreken' legt Dorrestein met hatelijke precisie het leed bloot van een pubermeisje dat seksueel lastig gevallen wordt, niet door de zoveelste nieuwe vriend van haar ontevreden moeder maar door haar broer, op wie ze zich uiteindelijk als Engel der Gerechtigheid wreekt. De romantiek komt bij Dorrestein als gewoonlijk zonder veel omhaal: “Sonja verkocht hennaprodukten aan kapsalons. Jaap verkocht diepvriezers aan de horeca. Ze hadden elkaar in een parkeergarage ontmoet.” Veel meer woorden gaan op aan de beschrijving van een onromantisch avondje met barbecueweer in een nieuwbouwwijk - “Er viel een stilte, waarin te horen was dat aan de andere kant van de heg de buurman tegen zijn vrouw zei: 'Ik zeg toch helemaal niet dat je een kelerewijf bent?' Verderop drensde een kinderstem, een hond blafte, een televisietoestel verspreidde gelach, iemand stond met trage, ritmische geluiden te hameren, natuurlijk weer een pergola, heel veel mensen hadden bij hun schuurtje al een pergola gebouwd en een bruidssluier gekocht, of een clematis.”

Sammi Landweer, onlangs gedebuteerd met de verhalenbundel Woestijn, beschrijft in 'De zege' een bokser die permanent zeeziek blijft na een boottochtje. Het blijkt de sport te zijn die over het lichaam zegeviert; het onophoudelijk incasseren van klappen deed hem als een wrak in een rolstoel belanden, volkomen afhankelijk van de huishoudelijke of erotische attenties van een daghulp.

“Wij houden elkaars handen / en onze eigen harten vast”: de liefdesgedichten van de jonge Jo Govaerts (Vlaanderen, 1973) balanceren onzeker op de rand van kitscherig en gevoelvol. “Kom nu even hier bij me / en toen kwam je helemaal bij me // en ik stokte en mijn adem en mijn / woorden allemaal mijn angstige en blije”. Chrétien Breukers (1965) lijkt veel zekerder van zijn zaak, al stapt hij nu en dan in dezelfde valkuilen van taalgrapjes als Govaerts: “We werden vlees en streelden lijnen. / Die vervielen, maar we streelden - / Verveeld hebben we ons doorgestreeld.” Gevaarlijk dicht in de buurt van kalenderkunst komt Theo Verhaar met zijn “Een man leegt / na het ontslakken / van zijn gedachten / de asla op straat.”

Heel verrassend is dichteres Esther Jansma met haar eerste korte prozateksten, een absurdistische 'tekst voor stemmen in een klein hoofd'. De personages in deze ontroerende 'Picknick op de wenteltrap' zijn het meisje van elf Oud, het zusje Romanticus, de vader, en het oudste zusje: het hoofd. De meisjes bidden 's avonds in bed voor de zelf ontdekte God van het haar. “'Maar als Che Guevara heilig was, dan zat hij toch niet op zo'n gescheurd affiche?' zegt het hoofd. 'Ik bedoel, zomaar in de gang? Dat mag dan toch niet?' 'Niemand weet het nog!' zegt de Romanticus. 'Alleen wij weten het, en dan nog maar heel kort ook, pas een paar seconden!' En dat komt goed uit, want dan hoort hij ons goed als we bidden en dan krijgen we zeker lang haar!' ”

    • Margot Engelen