De verbluffende moderniteit van Java uit de lucht

Joseph Brodsky laat zijn studenten tweeduizend à drieduizend versregels uit het hoofd leren. Voor tijden van nood. Hij vertelde het in dat grote tv-vergeet-programma van Wim Kayzer. Maarten 't Hart vertelde - ik ben vergeten waar en wanneer - dat hij gedichten uit het hoofd leerde voor tijden van nood, bij een gijzeling bijvoorbeeld. Hij citeerde de gelaten slotregel van Han G. Hoekstra's gedicht over onze levensloop: “En op een avond zijt gij er niet meer.”

Hendrik de Vries, beroemd als vergeten dichter, leerde in zijn jonge jaren iedere dag een gedicht uit zijn hoofd. Ik heb hem in het openbaar een half uur Bilderdijk horen declameren, en in mijn eigen woonkamer een half uur poëzie van hemzelf. Heel indrukwekkend. Het probleem was dat hij in het Gronings voordroeg, in razend tempo, zodat je er te weinig van opving.

Ik ben een dilettant. Mij is uit mijn jeugd poëzie in het geheugen gebleven zonder dat ik er iets voor had gedaan, en het zijn zeker geen tweeduizend à drieduizend regels. Ik heb er veel aan. Als Brodsky en 't Hart. Bij operaties onder plaatselijke verdoving kun je op een klapstoeltje aan de vijver van je brein gaan zitten en verzen hengelen. Na inzinkingen van welke aard dan ook test ik mijzelf door 'Avondlijk tweegesprek tussen de dichter en de harmonika' op te zeggen. Eerlijk ben ik dan niet. Ik weet dat ik het ook in zwakte uit mijn hoofd ken en mijn telefoonnummer ben vergeten.

In dat vers van Victor E. van Vriesland (zeventien strofen) loopt een dichter door een plantsoen. Een gesnauwde situatieschets: “Uitgezweken, weggebleekt/ En tot vaalheid afgeslonken/ Is de late dag verzonken/ In een giftig niets dat breekt./ Neergedaan tot schandlijk grauw/ Bukt het vaag plantsoen te loeren,/ Achter stoffige contouren/ Kermt het als een zieke vrouw.”

Dat is dus de harmonika. De dichter roept hem toe: “Ik ben heus nog niets vergeten”, en haalt herinneringen op aan minnespel van vroeger. In dat even plechtige als humoristische Van Vrieslands: “'t Was die kermis in Chalon/ O, de geur der hippodromen!/ Toen voor 't eerst zij is gekomen/ In haar witte nachtjapon...” Geweest en afgedaan, zegt de dichter, elkaar allang vergeven, en hij wil zich door de harmonika niet laten wenken tot het temerige feest van de herinnering. De harmonika is onbarmhartig: “Altijd, altijd kom ik weer”, merkt op dat de dichter toch behagen vindt in die stage wederkeer, en zegt: “In die heugnis, leer ervaren,/ Eeuwig leeft wat even maar een/ Grond van u heeft aangeboord.” Ik zal de enige zijn in de hele wijde wereld die dit prachtige gedicht uit zijn hoofd kent. Het sluit met de smeekbede van de dichter: “Speel niet meer, harmonika!”

Twaalf jaar geleden hield ik mij een warme zomer lang bezig met de vergeten Duitse dichter Justinus Kerner (1786-1862). Heerlijke maanden. Kerner was dorpsarts in Zwaben, dichter van natuurlyriek en zag spoken. Enige van zijn verzen zijn door Robert Schumann zo ontroerend op muziek gezet dat je in de tekst gaat geloven. Zijn beroemdste boek was Die Seherin van Prevorst, in zijn eigen tijd al omstreden en bespot, over een eenvoudige vrouw, Frederike Hauffe, in wie hij bovenzinnelijke gaven had ontdekt. De brave dikke arts, lieve familievader, vriend van kunstenaars en vorsten, bevlogen rijmelaar, was een occultist en gruwde van de wereld der geesten.

Hij had veel bewondering voor Anton Mesmer (1734-1815), arts en occultist als hijzelf, die na een opwindend leven van roem en verguizing, een banneling, in Zwaben stierf. Hij was de man van het 'mesmerisme', van het 'dierlijk magnetisme', er werd met hem gedweept en hij viel in ongenade. Volgens Kerner was hij geen charlatan maar een wijze.

Ik las een gedicht van Kerner: 'Auf Anton Mesmers Grab', heel lief, en schrok me een ongeluk. Aan het slot van het gedicht meent Kerner zachte tonen te horen: “- da/ Dacht ich seiner letzten Worte: 'Spielt mir die Harmonika!' ”

Kan het toeval zijn? Ik bladerde het oeuvre van Van Vriesland door, zonder Justinus Kerner aan te treffen, en had niet de moed na te speuren of Mesmers laatste woorden ook elders zijn vastgelegd. Het kan toch geen toeval zijn?

Er is nog iets. Al de jaren dat ik Van Vrieslands gedicht voor mijzelf opzei dacht ik aan een trekharmonika. Achter de stoffige contouren van dat avondlijk plantsoen zat een sentimentele zeeman met een accordeon op een bankje. “Speel niet meer, harmonika!” is tot een trekharmonika gericht. “Spielt mir die Harmonika!” zeer zeker niet.

Justinus Kerner was zelf een virtuoos op de 'Maultrommel' (mondharp), 'genannt die Mundharmonika' zals hij ergens heeft geschreven. Er lijkt me geen twijfel aan dat Anton Mesmer op zijn sterfbed naar muziek van dat instrument verlangde. Wat te doen?