De schijn in de schouwburg

Paul Valéry: Meneer Teste. Vert. Piet Meeuse. Uitg. De Bezige Bij, 103 blz. ƒ 26,50.

De term 'ongeboren romanfiguur' die Piet Meeuse in zijn nawoord gebruikt voor de figuur Meneer Teste geeft precies aan waarmee we in deze beroemde en beruchte teksten van Paul Valéry te maken hebben: een idee voor een romanfiguur waardoor Valéry zijn leven lang werd geobsedeerd, maar dat nooit kon uitgroeien tot een werkelijke roman. Het is de constructie van een onbestaanbare figuur die louter intellect is en geen 'buitenkant' heeft - geen dagelijks leven, geen eigenschappen of karakteristieken, geen zichtbare activiteit. Hij houdt zich uitsluitend bezig met onderzoek naar de wetten van de geest. De zuiverheid van het 'zijn' is voor hem voldoende, hij is het stadium voorbij waarin de mens ernaar streeft met zijn briljante geest te pronken of zijn geniale talenten aan anderen te doen kennen. Want, aldus Teste, 'ik ben thuis in MEZELF, ik spreek mijn eigen taal, ik verfoei buitengewone dingen. Daaraan hebben zwakke geesten behoefte. Geloof me op mijn woord: genie is gemakkelijk, goddelijkheid is gemakkelijk... Ik bedoel gewoon - dat ik weet hoe dat te begrijpen is. Het is gemakkelijk.'

Het eerste verhaal over dit 'monster van intelligentie en zelfbewustzijn', 'De avond met Meneer Teste', schreef Valéry in 1896 op twintigjarige leeftijd 'tijdens een periode van wilsvervoering en in vreemde excessen van zelfbewustzijn', zoals hij zelf later zei. De verteller ontmoet in de schouwburg meneer Teste die daar met genadeloze helderheid de werkelijkheid achter de uiterlijke schijn observeert. De verteller raakt geïntrigeerd. Vervolgens begeven ze zich naar Teste's armzalige, onpersoonlijke huurkamer waar de verteller meemaakt hoe Teste een pijnaanval krijgt. Door zich intens te concentreren op het analyseren van zijn eigen pijn, louter door de kracht van zijn denken dus, weet hij die te objectiveren en er kennis uit te putten over zichzelf.

Valéry zal zijn leven lang andere fragmenten over Teste aan dit eerste portret blijven toevoegen, gedeeltelijk in zijn 'geheime' Cahiers, waaraan hij elke morgen in alle vroegte werkte. Een deel van de Teste-fragmenten is dus pas in 1946 postuum verschenen in de 'bundel' Monsieur Teste, die nu in zijn geheel door Piet Meeuse vertaald is met een zorgvuldigheid die de precisie en helderheid van de auteur in alle opzichten recht doet.

Natuurlijk is er veel geschreven en gespeculeerd over overeenkomsten tussen de schrijver en zijn personage. Valéry's fascinatie voor de werking van de geest, zuiverheid en zelfreflectie krijgen gestalte in de imaginaire en onmogelijke figuur van meneer Teste. En niet te vergeten het (literaire) zwijgen van Teste. Ook Valéry zweeg immers twintig jaar lang tussen de publikatie van Meneer Teste en die van La jeune parque. Maar in tegenstelling tot Teste, van wie na zijn dood geen spoor op aarde terug te vinden zou zijn geweest, is Valéry bezig gebleven met Teste beschrijven en ons daarmee inzicht te geven in de mogelijkheid en onmogelijkheid van het absolute ideaal.