De retorica van een ontvoerster

Lilian Faschinger: Magdalena Sünderin. Uitg. Kiepenheuer & Witsch, 352 blz. ƒ 55,70.

Kan een mens rechtschapen zijn en tegelijkertijd verschrikkelijk? Ja, dat kan, althans in boeken: Magdalena Sünderin is zo iemand. Op een mooie pinksterdag ontvoert Magdalena, hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Lilian Faschinger, een priester uit een bomvolle kerk in Tirol. Ze knevelt hem, bindt hem vast aan een boom en dwingt hem haar biecht aan te horen. Als de gijzeling voorbij is schrijft de priester Magdalena's biecht op en tijdens het schrijven groeit zijn bewondering voor deze vrouw, die bekent dat ze zeven mannen vermoord heeft.

De ontvoerster, zo maken we op uit het relaas van de geestelijke, heeft haar slachtoffer betoverd - met haar schoonheid, haar zinnelijkheid en vooral met haar vertelkunst. Elke vermoorde man die in haar vertelling de revue passeert is voor de priester een nieuw bewijs van haar onschuld, ja, Magdalena speelt het zelfs klaar dat hij diep in zijn hart al haar zonden vergeeft. De bijbelse Maria Magdalena was een mannengek voordat ze gek werd op één man, Jezus. De eigentijdse Maria Magdalena van Lilian Faschinger is ook een mannengek, maar die Ene zal zij waarschijnlijk nooit vinden. Steeds zegt ze tegen de priester dat ze op zoek is naar de zuivere liefde, en de sukkel gelooft haar nog ook.

Wij lezers weten wel beter. Een opzichtig symbool verwijst naar haar ware intenties: in een jampot bewaart ze een exemplaar van een sprinkhanensoort waarbij het mannetje na de paring door het vrouwtje gedood wordt. Magdalena doodt háár eigen mannetjes niet meteen na de eerste copulatie, maar wel zodra hun prestaties in bed achteruitgaan.

Gelukkig is Magdalena Sünderin, dé sensatie van de laatste Frankfurter Buchmesse, meer dan een baldadige feministische tekst waarin de man in de slachtofferrol wordt gedrukt. Een gewone Oostenrijkse Antiheimatroman is het boek al evenmin, hoezeer de in Karinthië geboren schrijfster zich ook laat gaan in redeloze tirades tegen het Oostenrijkse gezin, de Oostenrijkse Kerk, de Oostenrijkse psychiaters en de Oostenrijkse schijnheiligheid.

Nee, de belangrijkste kwaliteiten van Magdalena Sünderin zijn van filosofische aard. Want wie bepaalt wat dat is: zonde, of rechtschapenheid? Wie heeft de waarheid in pacht? Kan een mens ooit de waarheid spreken? De retorische trucs die een spreker van stal moet halen om zijn luisteraars van zijn standpunt te overtuigen lijken de waarheid bij voorbaat te vervalsen. Maar zonder retorica geen verhaal: niet alleen Magdalena maar ook Lilian Faschinger weet dat donders goed. Zij weet dat goede predikanten meer geven om de indruk die hun boodschap op de kerkgangers maakt dan om het waarheidsgehalte van die boodschap. Wat dat betreft hebben biechtende zondaressen en priesters, zo blijkt uit Faschingers geraffineerde raamvertelling, meer met elkaar gemeen dan zij zelf beseffen.

    • Anneriek de Jong