De makkers en de meisjes; Eerste grote biografie van Kingsley Amis

De Britse auteur Kingsley Amis, die zondag overleed, heeft zelf meegewerkt aan zijn onlangs verschenen biografie. Biograaf Eric Jacobs geeft met veel anekdotes een amusant, soms ontluisterend portret van de schrijver.

Kingsley Amis, A biography door Eric Jacobs, 382 blz. met ill., Uitg. Hodder & Stoughton, Prijs ƒ 56,65

Toen Kingsley Amis (die afgelopen zondag op 73-jarige leeftijd overleed) in 1991 zijn memoires publiceerde, bevatten die allerlei venijnigs over levende en dode personen, en menige anekdote die een ander ongepubliceerd zou hebben gelaten - maar geen onthullingen over zijn liefdesleven. De man die zo memorabel heeft geschreven over de misverstanden tussen de seksen, had niets op papier gezet wat de mensen die hem dierbaar waren, of geweest waren, pijn zou kunnen doen. De details van Amis' twee huwelijken en zijn talloze affaires bleven daarmee vrijwel geheel buiten beeld - een illustratie van de scheiding tussen verschillende werelden (vooral die van de mannen en die van de vrouwen) die hij zo duidelijk aanlegde. De grens was niet altijd waterdicht, in de liefde en de literatuur liepen zij door elkaar, maar de makkers en de meisjes waren wat Amis betreft twee heel verschillende zaken.

De biografie van hem, geschreven door Eric Jacobs die onlangs is verschenen, is wat dat betreft vollediger. Wie haar leest, kan opmerken dat Sir Kingsley weinig eervol uit de oorlog der seksen tevoorschijn is gekomen. Om het chic te zeggen is hij vanaf de schoolbanken al buitensporig gefascineerd geweest door vrouwen, wat hem misschien heeft belet om het duurzame huwelijksgeluk te bereiken dat men iedereen zou toewensen. Platvloerser gezegd is hij altijd een egoïst en rokkenjager geweest, iemand die heel blij mocht zijn - en dat was hij ook - dat hij zijn oude dag kon doorbrengen in een harmonische ménage à trois met zijn eerste vrouw, Hilly, en haar derde man, Alastair Boyd, Lord Kilmarnock.

Niet dat dat belangrijk is om te weten. Niemand heeft een biografie van Amis nodig om plezier te beleven aan zijn romans, aan het uitbundige Lucky Jim (1954), het verbijsterende Ending Up (1974) of het sarcastische Stanley and the Women (1985). Zeker de helft van zijn twee dozijn romans is onvergetelijk goed. Het scala dat wordt bestreken is opvallend breed, maar zijn bondige, intelligente stijl, waarin gevoel voor het absurde nooit ontbreekt, is onmiskenbaar gebleven.

Deze eerste full-size biografie van Kingsley Amis is geen academische studie, maar geschreven door een journalist. Waarom? Wat de auteur betreft omdat, zoals hij in het voorwoord zegt, 'ik merkte dat Amis de enige schrijver is wiens nieuwste roman ik nog steevast meteen na verschijning, in de dure, gebonden editie, ging kopen.' Met die lapidaire motivatie toont Jacobs zich een brave Amis-volgeling. Geen poeha of diepzinnigheid, gewoon een leesbaar boek over een schrijver die je bewondert. Leesbaar is het inderdaad, vlot zelfs; maar wel een beetje oppervlakkig. Het is misschien de straf voor het korzelige doe maar gewoon dat Kingsley Amis altijd aan de dag heeft gelegd als literatuurwetenschappers weer aankwamen met hun diepere betekenissen.

Jacobs heeft zelfs de verantwoording voorin het boek amusant weten te maken. Daar wordt uitgebreid ingegaan op de onbegrijpelijke, halsstarrige tegenwerking van de illustere Bodleian-bibliotheek te Oxford, waar Amis' brieven aan zijn vriend Philip Larkin berusten. Die brieven mochten pertinent niet worden ingezien. Pas door middel van een samen met Amis beraamde truc kreeg hij deze belangrijke bron uiteindelijk te lezen.

Zoals hieruit blijkt is Jacobs' boek een geautoriseerde biografie, waarvoor naast ander onderzoek ook gesprekken met Amis zelf een belangrijke bron vormden. Zij vonden meest plaats in de Londense Garrick Club of in de pub bij Amis om de hoek, waar hij vrijwel dagelijks kwam. Van de borreltafelsfeer die in dergelijke gelegenheden heerst is in het boek nogal wat terug te vinden. Het leidt tot een omgangstaal en een voorliefde voor anekdotes die wel eens gaat vervelen. Amis zelf kon die sfeer tot literatuur verheffen; zijn biograaf niet. Die toont de werkelijkheid van een oude-mannenbestaan in een wat alledaagser licht.

Want dat Jacobs zijn onderwerp mooier afschildert dan hij is, is moeilijk vol te houden. Eerder doet hij stoer het tegendeel. Amis heeft het kennelijk niet erg gevonden om met al zijn zwakheden en fobieën, de drank, het kunstgebit en de emmer onder zijn bed te worden geportretteerd. De een zal het ontluisterend vinden, de ander ontwapenend. Voor Amis zelf was waarschijnlijk het belangrijkste dat hij uit de ervaring, het onderwerp te zijn van een biograaf, een roman heeft kunnen destilleren, The Biographer's Moustache (1995). Het boek is zijn laatste geworden en is door de Britse kritiek vrijwel unaniem neergesabeld.

Privépubliek

Na Lucky Jim, zijn romandebuut en grootste bestseller, werd Kingsley Amis een tijdlang gerekend tot literaire bewegingen als 'the Movement' of de 'Angry Young Men' (waar ook John Osborne bij hoorde). Zelf heeft hij dat soort indelingen altijd afgewezen. Hij hoorde niet bij een stroming, hij kende die mensen niet. Het enige dat voor hem telde waren zijn vriendschappen, die met Philip Larkin voorop; ook de lettré Peter Quenell en de historicus Robert Conquest werden later goede en belangrijke vrienden.

Amis studeerde af in Oxford op het idee van de 'inner audience', het privépubliek dat menig schrijver heeft, de enkele persoon of personen aan wier oordeel hij hecht. Hij trachtte aan te tonen dat dit kenmerkend was voor een aantal negentiende-eeuwse dichters die hij bewonderde. Dat is interessant omdat Amis' eigen debuut, zoals Jacobs beschrijft, nooit in deze vorm tot stand zou zijn gekomen zonder het voortdurende gepraat en gecorrespondeer erover met Philip Larkin.

Die uitweiding over het literaire clubgevoel is een van de schaarse hoogtepunten die Jacobs te bieden heeft aan lezers die hadden gehoopt, wijzer te worden over de aard van Amis' kunstenaarschap. Meer aandacht voor het literaire ambacht zou zeer op zijn plaats zijn geweest - misschien was de biograaf bang dat het allemaal te saai zou worden. Amis haat saaiheid, meldt hij meermalen. Een ander literair snoepje is nog een passage over Amis' lichte verontrusting als hij zijn werk vergeleek met dat van zijn langzamerhand beroemdere zoon Martin. In diens postmoderne proza, zo peinsde hij, zou je nooit een zinnetje vinden als 'Ze dronken hun glas leeg en verlieten het lokaal'. Waren zijn eigen zinnen eigelijk wel geladen genoeg? Maar hier houdt het verhaaltje alweer op.

Belangrijke thema's in Amis' werk krijgen evenmin veel aandacht. Jacobs had kunnen wijzen op de steeds weerkerende gedachte dat alles ook heel anders had kunnen zijn, een gedachte die bij Amis is terug te vinden op heel grote en heel kleine schaal. In zijn boeken ligt dat idee ten grondslag aan veel, al dan niet imaginaire, komische situaties. Maar soms groeit het uit tot een literaire tour de force, zoals in The Alteration (1977). Deze roman speelt in een Europa waar de Reformatie nooit heeft plaatsgevonden en een taboe rust op elektriciteit. En natuurlijk houdt die preoccupatie met hoe het ook had kunnen zijn verband met Amis' belangstelling voor science fiction.

Gilbert Pinfold

Aan zulke zaken heeft de biograaf zich niet gewaagd. Wat hij te bieden heeft is, dat sommige autobiografische puzzelstukjes in Amis' boeken nu zichtbaar worden. Een romanfiguur waarin veel van Amis zelf is terug te vinden is Maurice Allington uit The Green Man (1969), een restauranthouder wiens dochter wordt bedreigd door een vileine geest. Als ik hem goed lees heeft de biograaf de identificatie van Amis met Allington van de schrijver zelf moeten vernemen.

Terwijl het toch voor de hand ligt dat de drankzuchtige, egocentrische, overspelige hoofdpersoon nooit zo innemend had kunnen zijn als hij niet een incarnatie van zijn schepper was geweest. Bovendien hebben Allingtons hypochondrie en zijn alcoholische hallucinaties en tics iets onweerstaanbaar Amisiaans. De biograaf bevestigt dit. Ook Amis heeft last gehad van dat soort verschijnselen. Gelukkig heeft het schrijven van The Green Man ze goeddeels bezworen. Daarmee speelt dit boek in Amis' leven een rol die lijkt op die van het boek The Ordeal of Gilbert Pinfold in het leven van Evelyn Waugh.

Wat de overige autobiografische puzzelstukjes betreft, die bevestigen soms de vermoedens van de lezer, soms levert de biograaf nieuws. Dat de vreselijke Professor Welch, die Lucky Jim het leven moeilijk maakt, veel van Amis' eerste schoonvader heeft konden wij moeilijk weten. En ook niet dat de egocentrische actrice Nowell in Stanley and the Women een erg onaardige versie was van Amis' tweede vrouw, de schrijfster Elizabeth Jane Howard. Wel lag voor de hand dat de overheersende vader in de roman You Can't Do Both (1994) veel gemeen heeft met Amis' eigen vader: een man die zijn opgroeiende zoon geen enkele ruimte geeft, altijd belerend, verbiedend, betuttelend. Amis heeft dat prachtig opgeschreven. De passages over die vader horen bij het beste dat hij op zijn oude dag heeft gepubliceerd.

Die oude dag was voor Amis verrassend produktief. Het is waar dat aan het eind van zijn leven vaker, en met meer recht, is gezegd dat het werk niet het niveau van de flitsende vroegere romans haalde. Maar het milde The Folks That Live on The Hill (1990) was wel prachtig, en de korte verhalen in Mr. Barrett's Secret (1993) ook. Je zou willen dat de biograaf op deze en andere boeken wat dieper was ingegaan - op het gevaar af dat hij Sir Kingsley zelf had verveeld.

    • Ileen Montijn