De juiste man op de juiste plaats?

In een krant las ik dat op de bijeenkomst van staats- en regeringshoofden ter viering van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties hèt onderwerp van gesprek in de wandelgangen was geweest de vraag: wie volgt Willy Claes op als secretaris-generaal van de Noordatlantische Verdragsorganisatie?

Dat lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Er waren immers 184 regerings- en staatshoofden in New York bijeen en de overgrote meerderheid van hen vertegenwoordigde landen wie het niets kan schelen wie die post gaat innemen. Zij zijn immers geen lid van de NAVO. En van de vijftien NAVO-landen had er één regeringshoofd - bondskanselier Kohl - nog verstek laten gaan.

Trouwens, het was niet alleen die ene krant die een scheef beeld gaf van de toestand in de wandelgangen van de VN. De onbevangen lezer of kijker moest uit alle media wel de indruk krijgen dat die hele vertoning in New York draaide om de opvolging van Claes en de rest slechts een sideshow was.

De werkelijkheid was natuurlijk juist omgekeerd. Zelfs de bewindslieden uit de NAVO-landen zullen niet de hele dag alleen maar aan Lubbers of Ellemann-Jensen hebben lopen denken. Zo zal president Chirac, om maar één voorbeeld te noemen, zijn contacten (of niet-contacten) met zijn Algerijnse collega of de kernproeven van Mururoa, belangrijker hebben gevonden. Ja, het is te hopen dat zelfs voor onze ministers de toekomst van Lubbers niet het belangrijkste thema van hun gesprekken was. Maar die indruk kreeg je wèl uit de media.

Door die concentratie op één persoon raken twee vragen enigszins onderbelicht: 1. Heeft Nederland recht op die post van secretaris-generaal van de NAVO? 2. Is Lubbers daar geschikt voor? Wat de eerste vraag betreft: Nederland heeft al twee keer een secretaris-generaal geleverd (Stikker en Luns), die samen zestien jaar die functie hebben bekleed (zestien van de 46 jaar dat de NAVO bestaat).

Er zijn heel wat landen die nog geen secretaris-generaal hebben geleverd. Nu zijn er van die landen enkele die er niet voor in aanmerking komen. Frankrijk bijvoorbeeld, omdat het geen lid is van de militaire organisatie van de NAVO (zoals ook Spanje). Griekenland en Turkije, omdat ze bijna op voet van oorlog met elkaar staan. Maar een land als Noorwegen heeft een uitstekende staat van dienst (beter dan die van Denemarken, het land van Ellemann-Jensen), en er is nog nooit een Noor secretaris-generaal geweest.

Dus een recht heeft Nederland niet op die post - nog geheel afgezien van de vraag of het optreden (of niet-optreden) van de Nederlandse blauwhelmen in Srebenica Nederland in de ogen van de bondgenoten nu wel het bij uitstek geschikte land heeft gemaakt om de secretaris-generaal van de NAVO te leveren.

Komen we tot de vraag of de man ten wiens gunste onze regering haar partners aan het polsen is, geschikt is, dan moet allereerst vastgesteld worden dat Lubbers als voormalig minister-president ook een goede staat van dienst heeft. Alleen in het laatste jaar van zijn twaalfjarige ambtsperiode leek hij de kluts kwijt te zijn.

Er wordt wel gezegd dat Lubbers niet over de militaire en strategische expertise beschikt die nodig is voor de vervulling van die post. Nu, hij is intelligent genoeg om die zich snel eigen te maken. Trouwens, die expertise is niet meer zo nodig als in de jaren van de koude oorlog. Nu zijn politieke en diplomatieke gaven meer gevraagd.

Het is op het laatste punt dat er vragen beginnen te rijzen. De politieke gaven die nodig zijn om twaalf jaar Nederland goed te beheren, zijn niet noodzakelijkerwijs dezelfde die iemand geschikt maken voor de functie van secretaris-generaal van een multinationale, in casu Europees-Amerikaanse organisatie. In elk geval is er twijfel - twijfel die Lubbers zijn gooi naar het voorzitterschap van de Europese Commissie heeft doen verliezen.

Bij bondskanselier Kohl had die twijfel zich verdicht tot oppositie. Gemeenlijk wordt die toegeschreven aan het verzet dat Lubbers in 1990 zou hebben aangetekend tegen het in zijn ogen te snelle proces van de Duitse hereniging. Het is de vraag of dit waar - of althans: helemaal waar - is.

Per slot van rekening heeft president Mitterrand dat proces zelfs proberen te blokkeren. Zijn plotselinge bezoek aan Gorbatsjov in Kiev en zijn reis naar de toen nog bestaande DDR (beide vlak na de val van de Muur) zijn daar bewijzen van. Maar de betrekkingen tussen Kohl en Mitterrand hebben daar niet onder geleden.

Het is waar: wat Duitsland van Frankrijk duldt, hoeft het niet ook van Nederland te dulden. Maar er was ook meer aan de hand. Kohl vond Lubbers maar een onvermoeibare en vermoeiende bemoeial (wat hij misschien eveneens minder duldde van de vertegenwoordiger van een klein land), met wie hij bovendien minder gemakkelijk kon tafelen als met de, evenals hijzelf, pycnische Jean-Luc Dehaene.

Maar wat Kohl werkelijk aan het denken moet hebben gezet is de manier waarop Lubbers in het laatste jaar van zijn minister-presidentschap de door hemzelf benoemde opvolger, Elco Brinkman, onderuitgehaald heeft en, mede daardoor, verantwoordelijk werd voor de verkiezingscatastrofe van het CDA. Als mede-christendemocraat kan Kohl dit niet zijn ontgaan. Kunnen wij aan zo'n man zo'n belangrijke internationale functie toevertrouwen, moet hij gedacht hebben. Als die twijfel verleden jaar enige grond had, dan heeft hij die nog.

Maar de meeste twijfel wekt Lubbers' gave van het woord. Al voor Nederlanders is zijn taal vaak buitengewoon cryptisch. Hoe moet zij buitenlanders, in een andere taal overgezet, wel in de oren klinken? En dat terwijl van de secretaris-generaal, meer dan ooit, gevraagd zal worden dat hij het publiek overtuigt van de blijvende noodzaak van het bondgenootschap en van de offers die het vergt.

Voor Lubbers pleit dat hij Europeser is dan bijvoorbeeld de Deen Ellemann-Jensen, zei oud-minister en oud-secretaris-generaal van de Westeuropese Unie Van Eekelen onlangs voor de televisie. Dat zou bevorderlijk zijn voor de hervorming van de NAVO tot een twee-pijlerconstructie: een Europese en een Amerikaanse pijler.

Misschien, maar dat vooronderstelt dat zo'n constructie überhaupt leefbaar is (nog afgezien van het feit dat een Europese pijler in geen velden of wegen te bekennen is). Èn het vooronderstelt een Amerikaans akkoord met zo'n constructie. In de praktijk hebben de Verenigde Staten, wanneer puntje bij paaltje kwam, zich altijd verzet tegen een ganging-up (zoals president Nixon eens zei) van de Europeanen in de NAVO.

Zover zijn we echter nog lang niet. Voorlopig zullen de ministers Kok en Van Mierlo de handen eraan vol hebben de bondgenoten de indruk te geven dat hun streven een politicus die zich voor Nederland verdienstelijk heeft gemaakt, een welverdiende beloning te bezorgen, niet hun voornaamste drijfveer is; dat Lubbers, met andere woorden, volgens hen de juiste man op de juiste plaats is - onverschillig zijn nationaliteit.

    • J.L. Heldring