De jeans van Dean

Ewoud Sanders, in samenwerking met Jaap Engelsman: Geoniemenwoordenboek. Uitg. Nijgh en Van Ditmar, ƒ 34,90

De eerste mens die jeans droeg was James Dean. Dat heb ik altijd vaag gedacht zonder behoefte tot verificatie te voelen. De werkelijkheid is anders. De stof waarvan deze broeken zijn gemaakt komt oorspronkelijk uit Genua; werd daar in de Middeleeuwen al gemaakt. De Fransen verfransten het woord tot jene en gene. Al in 1567 is in het Nederlands sprake van fustein uit Genua. Intussen was het textiel ook in Engeland doorgedrongen; daar werd het jean of jeanes genoemd, nog altijd als naam voor de stof. Er werd van alles van gemaakt: pakken, schoenen en voering voor corsetten. Het zou tot 1843 duren voor het woord zich als broeknaam vestigde. 'Niet lang daarna,' schrijft Ewoud Sanders in zijn zojuist verschenen Geoniemenwoordenboek 'maakte Levi Strauss (1829-1902) de eerste broek die wij nu kennen als blue jeans. Strauss gebruikte hiervoor denim (een woord dat ook op een verrassende afkomst kan bogen, H.H.), een stof die hij met indigo blauw kleurde. (Indigo, een kleurstof die uit Indië, in het bijzonder Bengalen komt, H.H). Denim en jeans werden in het Amerikaanse spraakgebruik echter al snel min of meer gelijk gesteld. Voorzover bekend werd jeans in de betekenis 'spijkerbroek' in Nederland pas in 1970 voor het eerst opgetekend - in het Jargonboek voor hippe en andere vogels. Minder hippe woordenboeken volgden schoorvoetend. Zo vermeldt Van Dale jeans pas sinds 1984.'

Vijf jaar geleden is van Ewoud Sanders het Eponiemenwoordenboek verschenen, het boek der woorden die teruggaan op historische personen. Geoniemen zijn woorden die zijn afgeleid van plaatsnamen. De twee boeken hebben gemeen dat als je van woorden houdt, je erin blijft lezen en zodoende vaak voor verrassingen wordt gesteld en ook soms een opluchting ervaart. Misschien wel vijftig jaar geleden heb ik, op het platteland logerend, de ene boerenjongen tegen de andere horen zeggen: 'Denk erom want ik shanghai je de beerput in!' Nooit ertoe gekomen het op te zoeken en daardoor zo'n raadsel gebleven dat in een achterkamer van mijn geheugen bleef sluimeren. Nu, eindelijk, weet ik dat shanghaaien een officieel genoteerd woord is en bovendien waar het vandaan komt. De werkelijkheid overtreft de verbeeldingskracht - en dan ook weer wordt de verbeeldingskracht geprikkeld. Het lemma jeans lezend gingen mijn gedachten onwillekeurig 145 jaar terug, naar Levi Strauss, op het ogenblik dat hij zijn eerste blue jeans had voltooid. Wat heeft deze historische couturier op dat ogenblik gedacht? Wat is er, zouden we ons nu afvragen, toen door hem heen gegaan, heeft hij iets beseft? Het bijverschijnsel van de eponiemen- en geoniemenwoordenboeken is dat ze je onverzadigbaar maken.

Klassiek in de jongste geschiedenis van de Nederlandse taal zijn de lotgevallen van Zweeds wittebrood - te ingewikkeld om hier na te vertellen. Maar omdat ik er bij wijze van spreken zelf bij ben geweest, ben ik wel bevoegd te zeggen dat Sanders zich in beknopt bestek voorbeeldig van zijn lexicografentaak heeft gekweten en in het bijzonder Nico Scheepmaker en Hans Onderwater alle eer geeft die deze schrijvers wegens hun historisch en psychologisch onderzoek verdienen.

Intussen brengt Sanders gaandeweg een respectabel lexicografisch oeuvre op zijn naam. Twee jaar geleden is van hem - het was een nieuwjaarsgeschenk van de Bijenkorf - het Woordenboek van de duivel verschenen, een selectie uit het woordenboek van Adriaan Koerbagh (1632-1669), in dat opzicht een voorloper van Ambrose Bierce. In 1994 kwamen Nop Maas en hij met Vrouw, zie ook Hemel en Hel, humoristisch-satirische woordenboeken in Nederland in de 18de en 19de eeuw, een uitgave van Van Dale. Het hoort, dunkt mij, tot de zorg voor de taal om dat grote netwerk van aanvoer-, zij- en parallelwegen zorgvuldig te exploreren.

Op het gebied van de geoniemen valt het trouwens te proberen, het traject min of meer in omgekeerde richting te veroorzaken. Bij geoniemen is de plaatsnaam de oorsprong, de jeans het vervolg. Het kan ook anders: bij het vervolg de plaatsnaam zoeken. De eersten die dat bij mijn weten hebben gedaan zijn Douglas Adams en John Lloyd in hun The Meaning of Liff. Ze hebben bijvoorbeeld het deel van je jas waarop iemand anders in de tram gaat zitten, muffat genoemd. Vanmorgen ging er nog iemand pontificaal op mijn muffat zitten. Justus van Oel heeft alweer zes jaar geleden in zijn Kunt u breukelen hetzelfde met Nederlandse plaatsnamen ondernomen. Altijd riskante experimenten. De woorden moeten meer dan in een behoefte voorzien: ze moeten een behoefte scheppen. Pas dan kunnen ze doelmatig worden. Wellerlooi vind ik een goed voorbeeld: Datgene wat handen en voeten vertonen die te lang in een warm bad hebben gelegen. Geoniemen hebben hun functie bewezen, ze zijn er natuurlijkerwijze in gegroeid, ze leven. Bij experimentele geoniemen geldt in zekere zin het vraagstuk van de voortplanting: je moet er honderdduizend leggen en misschien komt er dan één uit.

    • H.J.A. Hofland