De echte wereld is die van de intimiteit; David Hockney toont teckel-schilderijen in museum Boymans

De Britse kunstenaar David Hockney geeft morgen het startsein voor een teckelrace in het park naast het Rotterdamse Museum Boymans-van Beuningen. Behalve de schilderijen van zijn teckels laat het museum ook zijn recente stillevens, landschappen en hypermoderne fotokopieën zien. Een gesprek met de schilder die het niet erg vindt voor 'fun and sun'-schilder te worden uitgemaakt.

David Hockney; schilderijen en foto's. T/m 21/1/96 in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Tekeningen 1959-1995: van 9/11 tot 25/1 in Royal Academy of Arts, Londen. In het park naast het museum wordt op zaterdag 28/10 vanaf 13.30 uur een tekkelrace gehouden. Gesprek tussen Theo van Gogh en David Hockney om 16 uur in de Remonstrantse kerk, tegenover het museum. Kerk opent om 15.30 uur.

Het lag aanvankelijk in de bedoeling uitsluitend tientallen portretten van de heren Stanley en Boogie te exposeren. Ze houden al jaren de Britse schilder David Hockney gezelschap in het puike Californië. Beide teckels gedragen zich op die portretten als lusteloze vamps die met minimale inspanningen een maximum aan comfort weten te bereiken. Als natte dweilen hangen ze over een stoelleuning; als innige kameraden koesteren ze zich aan elkaars vachtjes, en genoeglijk uitgespreid op dikke kussens liggen ze zelf een beetje zitkussen te zijn. Alleen voor een tournedos komt het stel nog in beweging, zo lijkt het.

Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam zou een flinke zaal voor die vlot gekwaste teckel-show vrijmaken. Opnieuw een happening, net als de theatrale opening van de Matthew Barney-tentoonstelling vorige week, bedoeld om menigeen in staat van opwinding brengen. Want wie wil er niet, zoals op de uitnodigingskaart, een van de bekendste schilders ter wereld zien poseren temidden van zijn pootjes gevende huisgenoten? Wie wil er morgen niet een teckelrace bijwonen, die in het park naast het museum wordt gehouden?

Maar tijdens een voorbereidend bezoek aan Rotterdam deze zomer begon Hockney een ander tentoonstellingsconcept uit te broeden. Voor een klein gezelschap van conservatoren en verslaggevers toverde hij - als ware het een trofee - een 'ink-jet'-kopie te voorschijn. Een blad, niet groter dan een A4'tje met een fabelachtige opname van zowel een abstract schilderij in zijn Californische atelier als een abstracte vloerschildering die daar pal op de voorgrond lag. Beide liepen op het 'Gesamtkunstwerkje' feilloos in elkaar over. Hockney vond het “schaamteloos mooi.”

Het gezelschap, ongemerkt onderworpen aan een soort visuele reflex-test, kon zijn ogen niet geloven. Wat een magistrale litho leek, was een 250 dollar kostende foto op dik tekenpapier. De fotograaf was Graham Nash, ook uit Californie, die vooral bekendheid geniet als lid van de popgroep Crosby, Stills, Nash (& Young). Door de esthetische prestatie van Nash leek het wereldwijde faillissement van de ambachtelijk geproduceerde grafiek zeer dichtbij te komen.

Op de Hockney-expositie in Boymans die vandaag opent, hebben de teckels dus gezelschap gekregen van een paar 'ink-jet'-bladen, van een reeks 'kubistische' landschappen en van zo'n dertig realistisch ogende stillevens, die vooral Hockney's genegenheid voor bloemen in vazen tentoonspreiden. De meeste werken hangen in een salon-opstelling verspreid over een lange wand. Een museale stunt is op de valreep een beknopte stand-van-zaken tentoonstelling geworden rondom het recente oeuvre van David Hockney, telg van de Pop-Art-generatie, de populairste schilder van Engeland en een stilistische duizendpoot, die vanaf 9 november in de Londense Royal Academy of Arts wordt geëerd met een omvangrijk overzicht van zijn tekeningen.

Toch blijft Hockney, een van de vijf kinderen uit een onbemiddeld Brits gezin, in het hoofd van velen de schilder van 'sun and fun'. Mooie gespierde, naakte mannen en Californische rijke lieden komen op zijn vroegere doeken aan hun gerief in klinisch vormgegeven villa's en bijna rimpelloze zwembaden. Je ziet in dat zonnige water nooit een wesp in doodsnood rondspartelen, en er drijft ook nimmer een roestbruin boomblad op het oppervlak.

Zijn sprankelende kleuren, beweeglijke lijnen en decoratieve patronen van streepjes en stippen dragen al vele jaren een hedonistische levensvisie uit. Het oeuvre van Picasso en Matisse is hem dierbaar. Het zandstrand, het zwembadwater, het gazon en het behang - dat alles huppelt en dartelt er op het linnen maar op los. Het biedt vrijblijvend entertainment, waar de schilder zelf in gesprekken ook een staaltje van kan weggeven.

Datzelfde 'freewheelen' is voor menig Europees museum reden om Hockney, ondanks zijn razendknappe kubistische fotocollages en zijn ragfijne, rake portretten van familieleden, verzamelaars en literaire vrienden als W.H. Auden, Christopher Isherwood en Stephen Spender, niet al te serieus meer te nemen. Sinds 1980 kocht geen enkel Nederlands museum nog een (hoog geprijsd) werk van hem aan. Maar wie zijn eenlijnige tekeningen geduldig bekijkt, wie door zijn afwisselende verflandschappen reist, wie zijn decorontwerpen terugziet, en, natuurlijk, die polaroid-assemblages van een Zen-tuin in Kyoto of het hoofd van zijn moeder - die moet in hem hoe dan ook een zeer inventieve, originele zonderling erkennen.

We spreken elkaar in het Boymans-café. Hockney (Bradford, 1937), gewapend met een flinterdun wandelstokje, kan door zijn rode das, felblauwe overhemd en malle brilletje nog steeds doorgaan voor een guitige schooljongen die zijn eindexamen voor de zoveelste keer mag overdoen. Museumbezoekers kijken verbaasd achterom. Hen passeert een overbekend kunstenaarsportret, dit keer in drie dimensies.

Tijdens het gesprek lanceert Hockney af en toe op dicteersnelheid een mop, een anekdote of een one-liner, zoals “Televisie is de dood voor het oog”, “Fotografie heeft zijn geloofwaardigheid verloren”, “Wat CNN brengt is ook maar een illusie” en nog een andere : “De echte wereld is die van de intimiteit”. Prachtig vond hij die zeventiende-eeuwse schilderijen, die hij die morgen had gezien in het Rijksmuseum in Amsterdam. Vooral dat typisch Hollandse interieur met hondje op de voorgrond van ... hoe heet die man ook al weer..? Nou ja, het heeft in elk geval diepe indruk op hem gemaakt.

Waarom hij in Californië woont? Vanwege de ruimte - hij is een beetje claustrofobisch; zijn eigen stillevens geven trouwens meer ruimte te zien dan welk televisiebeeld dan ook. Zijn zuster zei het al: 'Space is God'.

Het veelvuldige verwijt van 'sun and fun'-schilder laat Hockney koud; het doet hem zelfs in een klaterende lach uitbarsten. “Ach, die mensen hebben niet goed naar mijn werk gekeken. Vincent van Gogh zou zich er ook niets van hebben aangetrokken. Zolang ik leef heb ik me een outsider gevoeld, ik werk rustig door, ver weg in Californië en maak me daar geen zorgen over.”

Toch wordt zo vaak beweerd dat zijn werk te esthetisch, te neutraal en te afstandelijk is. Heeft hij zich dat echt nooit aangetrokken? “Ik zal altijd naar alle mogelijke dingen blijven kijken. Daar beleef ik een intens genoegen aan. Daarna vermom ik die beelden met charme, dat is een karaktertrek van mij; ik zou mezelf verloochenen als ik anders te werk ging. Zet Van Gogh een week lang in de saaiste motelkamer en hij stapt er met een aantal interessante doeken weer uit. Die man kon denken met zijn ogen en maakte schilderijen die mooier zijn dan de werkelijkheid. Alleen mooie schilderijen zullen de tijd doorstaan.”

“Pas las ik in de New York Times een recensie over een grote tentoonstelling van Claude Monet in Chicago. Daarin zeurde die criticus maar door over het feit dat er zoveel mensen in het museum waren en dat Monet zo rijk was - alsof dat laatste er iets toe doet. Voor mij is van belang dat vele bezoekers dankzij die Monets thuis met een frisse blik naar hun eigen tuin zullen gaan kijken. Ze zullen meer acht slaan op een schaduw die over de weg valt. Een schilderij vertelt dat wezenlijker dan een foto. Geloof me; uiteindelijk zullen vele kunstwerken die men nu zo diepzinnig vindt, het op de lange duur niet uithouden.”

Heeft Hockney wel eens nachtmerries? “Nee, die komen in mijn leven nauwelijks voor.” Houdt Hockney van geometrische kunstwerken, van Mondriaan bijvoorbeeld: “U weet wat de Chinezen zeggen: De duivel beweegt zich in een rechte lijn.” Is elke dag 'a lovely day' voor hem? “Nee, zeker niet. Maar het is wel verstandig dat jezelf elke morgen wijs te maken. De wereld is mooi als je er aandachtig en intens naar kijkt. Ik heb net zes weken lang stillevens geschilderd. Steeds reageerde ik weer anders op alles wat ik zag. Je moet bij het kijkend selecteren zeer kieskeurig te werk gaan en dan pas worden subtiele drama's zichtbaar, drama's op de vierkante centimeter, opwindender dan enig filmbeeld. Wat deze café-tafel bijvoorbeeld te zien geeft, is zo ontzettend veel, dat ik niet zou weten waar ik het eerst aan moest beginnen.”

Hockney verloor de afgelopen jaren vele bekenden aan aids. Niet lang geleden overleed ook een van zijn beste vrienden, Henry Geldzahler, oud-conservator van het Metropolitan Museum in New York, die vaak voor hem model zat. Waarom houden die ernstige gebeurtenissen hem in zijn werk niet bezig? “In Londen hangen straks portretten die ik van Henry maakte op zijn sterfbed. 'I have had a life time', grapte hij kort voor zijn dood. En zo is het; de tijd die hem was toegemeten, was op.

“Na Henry's overlijden is elke dag voor mij een geschenk. Ik voel sindsdien ook een grote behoefte om over liefde te schilderen; en dat zijn de portretten van Stanley en Boogie geworden. Ik ben inderdaad zeer, zeer op die kleine beestjes gesteld, temeer omdat ze zonder zonden zijn. Liefde is de enige emotie die er in dit leven werkelijk toe doet, de rest is triviaal. En mocht de toeschouwer de teckels niet zien zitten, dan kan men desondanks van die schilderijen houden, omdat ze over liefde gaan”.