Bewaakster van het geluk; Milan Kundera beschrijft de zoektocht naar tijdloosheid

Milan Kundera: De traagheid. Vert. Joop van Helmond. Uitg. Ambo, 137 blz. Prijs ƒ 29,90 (Geb. ƒ 39,90).

Een schrijver en zijn vrouw logeren in een kasteel/hotel. De reis erheen en de beelden op de televisie leveren een reeks observaties op, die de schrijver 's nachts, terwijl zijn vrouw slaapt, een verhaal ingeven, dat tegelijkertijd door zijn vrouw wordt gedroomd. Dat verhaal is als met koele hand losjes gekneed deeg. De reflectie op een achttiende-eeuwse novelle van Vivant Denon vindt daarin een plaats, naast het verhaal over een etnologencongres, waar onder anderen de intellectueel Berck zich manifesteert evenals een zielige Tsjechische professor en de slecht uitgebalanceerde jonge Vincent. Als ze midden in de nacht wakker wordt, vraagt de vrouw van de schrijver of hij misschien eindelijk zijn plan uitvoert een roman te schrijven waarin geen enkel ernstig woord voorkomt. Een Grote Dwaasheid Voor Je Eigen Plezier.

Wanneer zoiets midden in een roman staat, is de lezer op zijn hoede. Het Staat Er Niet Voor Niets. Dat weet de schrijver ook wel. En de lezer weet dat de schrijver weet dat de lezer dat weet. Men duizelt boven de afgrond van dubbele bodems. Hoe serieus moeten we de schrijver nemen? Hoe luchtiger de reclame, hoe zwaarder de pretentie. Is er iets met je? Ach nee, niets hoor. Let maar niet op mij. Judith Herzberg heeft dat eens agressieve bescheidenheid genoemd.

Kundera heeft een groot talent voor tragikomische absurde situaties, en die ontbreken niet in De traagheid. Hij heeft een even grote zendingsdrang. Hij wil dat we zijn cultuurkritiek ernstig nemen, en ook daaraan ontbreekt het niet in De traagheid. De sneer naar media-intellectuelen als Bernard-Henri Lévy is duidelijk. Berck is het prototype van 'de danser', zoals Kundera de bespelers van de publieke opinie noemt, die ter meerdere eer en glorie van zichzelf koketteren met het wereldleed. Berck is buitengewoon belachelijk, maar in zekere zin slachtoffer van de tijdgeest. En daar ligt Kundera's belangrijkste kritiek.

De kritiek vangt hij in vergelijkingen, zoals die door de 'existentiële wiskunde' (net zo'n aardige term als 'moreel judo') worden geformuleerd: de graad van traagheid is recht evenredig aan de intensiteit van de herinnering; de graad van snelheid is recht evenredig aan de intensiteit van de vergetelheid. Wie zich iets wil herinneren vertraagt zijn pas, 'staat ergens bij stil'. Wie iets wil vergeten, loopt er snel van weg. De snelheidsextase waaraan de mens aan het eind van de twintigste eeuw zich overgeeft middels duivelse machines als motoren en auto's, is tekenend voor zijn afkeer van de werkelijkheid waarin hij moet leven. Opmerkelijk maar onvermijdelijk is dat Kundera als kind van zijn tijd doet wat hij de geest der eeuw verwijt: hij vlucht naar een andere werkelijkheid en stelt ons die ten voorbeeld. Hij vlucht naar een tijd, waarin de wet van de traagheid gold, de wet van de uitgestelde bevrediging, de wet van de ontveinzing, de wet van de gekoesterde herinnering: de achttiende eeuw. Inderdaad: voordat de romantiek het lijden aan het heden en de vlucht in de verbeelding populair zou maken.

Aan de personages wordt de werking van de existentiële vergelijkingen gedemonstreerd. De twintigste-eeuwse personages wentelen om elkaar en om hun eigen as als planeten in een zonnestelsel, voortdurend veroorzaker of slachtoffer van misverstanden, voortdurend op de vlucht voor elkaar en aangetrokken tot elkaar. Ze vertellen de wereld het verkeerde verhaal om de verkeerde redenen, maar hebben de leugen niet tot een kunstig spel verheven. Bij de achttiende-eeuwse personages, een veel kleiner, intiemer aantal, zijn de misverstanden onderdeel van het spel, dat zij allen met ernst en overgave spelen.

Tenslotte komen de jonge Vincent en de achttiende-eeuwse chevalier elkaar buiten het kasteel bij het ochtendgloren tegen. Vincent wil op zijn motor vluchten van de nacht die achter hem ligt. De chevalier wil in zijn koets nog lang en langzaam in zijn verbeelding de nacht herhalen, hoewel beiden bedrogen zijn: de chevalier door madame de T., Vincent door zijn eigenwijze pik. Tijdens hun korte conversatie wordt duidelijk dat zij elkaar niet begrijpen. De chevalier heeft een essentie in het 'wordt niet vervolgd' ontdekt die hem betovert. Het 'wordt niet vervolgd' stelt Vincent juist teleur. Hij is niet in staat zich een verhaal te verbeelden. Hij moet het doen met de armzalige waarheid. En daarvoor vlucht hij.

De verbeelding kan de waarheid naast de leugen plaatsen, het heden naast het verleden, de snelheid naast de traagheid. De verbeelding kan zelfs de pas inhouden bij het onaangename heden. Dat is Kundera's thema: de verdediging van de roman, de verdediging van de superieure leugen met als doel kennis en moraal. De chevalier vindt volgens de novelle van Denon geen moraal in zijn avontuur. Toch is die er, zegt Kundera. '...het is madame de T. die hem belichaamt: ze heeft gelogen tegen haar man, ze heeft gelogen tegen haar minnaar de markies, ze heeft gelogen tegen de jonge chevalier. Zij is de ware discipel van Epicurus. Beminnelijke vriendin van het genot. Zachte, beschermende leugenaarster. Waakster over het geluk.'

Kundera's een na laatste roman De onsterfelijkheid begint met een scène in een zwembad (Een zwembad vervult overigens ook een belangrijke rol in De traagheid). Een vrouw van zestig heeft zwemles. Na de les draait ze zich om naar de badmeester en groet hem met het charmante en kokette gebaar van een twintigjarige. Dat is hartverscheurend. Kundera beweert dat we diep in ons hart buiten de tijd staan. We zijn leeftijdloos. Een enkele keer dwingt de werkelijkheid ons tot een tragisch bewustzijn van de discrepantie tussen wezen en sterfelijkheid. Ons wezen is dus ingesteld op traagheid, op het verwijlen bij een tijdloze essentie. De tijd waarin wij leven, de tijd van Berck, dringt ons de snelheid op. We willen nergens bij stilstaan. In de snelheid zoeken we dus dezelfde extase van tijdloosheid, die correspondeert met onze tijdloze kern. Wat is daarop tegen? Het verschil tussen tijdloosheid in herinnering en tijdloosheid in vergetelheid is het verhaal. Daar zijn we opnieuw terug bij Kundera's stokpaard. De cirkels en spiegels maken van De traagheid een Vermakelijke Literaire Folly.

De traagheid is de eerste roman die Kundera rechtstreeks in het Frans heeft geschreven. Het is een fris Frans dat weinig last heeft van de soms wat ijdele krullentrekkerij van 'native French speakers'. Joop van Helmond heeft de soepelheid ervan in het Nederlands uitstekend weten te bewaren. De stijl heeft iets weg van het onnadrukkelijke gebaar waarmee de chevalier na de liefdesnachtaan zijn vingers ruikt: elegant, genotvol en suggestief.