Zieke en gezonde lichaamsdelen in kijkdozen tentoongesteld; Een lage gruweldrempel

Lijf en Leed. Het zieke en het gezonde lichaam. Tentoonstelling in het Boerhaavemuseum, Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Tot en met 21 april 1996. Di t/m za 10 tot 17uur, zo 12 tot 17 uur.

Achterdochtig en afwachtend, maar toch zo nieuwsgierig dat hij zijn neus tegen het glas gedrukt houdt, kijkt hij je aan. Wat wil hij van je? Is het trouwens wel een hij? Of is het een meisje, of vrouw? En als het een hij is, hoe oud was hij dan toen hij overleed? Het is niet meer te zien. Een preparateur heeft de kauw- en nekspieren in gelaat en hals prachtig blootgelegd. Om die reden, niet vanwege de intrigerende blik, is dit deel van een hoofd in het begin van deze eeuw op sterk water gezet, in het medisch onderwijs gebruikt en nu in een museum terechtgekomen. Het hoofd staat in een kijkdoos op de tentoonstelling 'Lijf en leed' in het Boerhaavemuseum in Leiden. Alle vitrines op deze tentoonstelling zijn kijkdozen. Ze zijn bekleed met vellen rode kunststof, met daarin kijkgaten.

Op het eerste gezicht is de tentoonstelling op het armzalige af. Behalve enkele grote modellen van lichamen of lichaamsdelen is er niets te zien. “De gruweldrempel moest zo laag mogelijk zijn,” verdedigt Kees Grooss, conservator geneeskunde, het ontwerp. Pas bij verder gluren blijken er vele anatomische preparaten aanwezig. Nat of gedroogd weefsel, modellen van was, papier maché of kunststof, die het zieke en gezonde lichaam tonen, van binnen en van buiten.

Grooss: “Een avondje TV-kijken levert de bloederigste operaties, maar de overgang van een plat beeldscherm naar een preparaat, vlak voor je neus, in drie dimensies, verandert toch veel aan de waarneming en beleving. Tot het beoogde publiek horen kinderen van de hoogste groepen van de basisschool en hun ouders. En we wilden iedereen zonder voorafgaande waarschuwing toe kunnen laten. Ook mensen die snel flauwvallen als ze lichaamsdelen, met of zonder ziektes, op sterk water zien.”

Kijkdozendwang

Vormgever Ron Meijer bedacht kijkdozen op twee niveaus. De gaten beneden de 1,15 meter zijn voor kinderogen bestemd en bieden zicht op preparaten of modellen van meestal gezonde lichaamsdelen. Beneden de streep zijn de toelichtingen eenvoudiger. Er hangen vragen aan de muur. Hoe komt het dat je minder hoort als je verkouden bent? Hoe heet iemand die dichtbij goed kan zien en ver weg niet? Hoeveel botten en botje zitten er in je lichaam? Hoeveel spieren heb je? Hoeveel procent van je hersenen is vocht? De antwoorden zijn verborgen achter wegschuifbare gefiguurzaagde triplex bordjes.

Boven de 1,15 m liggen de preparaten die vergaand zijn ontleed, of waarin soms ernstige ziektes zijn te zien. Krijgen kinderen een gedroogd preparaat van menselijke hersenen voor ogen (sterk gekrompen, want de 80% vocht is er uit), voor de ouderen liggen een plank hoger hersenen met een vernietigende kogelbaan erdoorheen en hersenen met de resten van vele hersenbloedingen bij een patiënt met leukemie.

Grooss: “Maar met het tonen van ziektes zijn we ook weer voorzichtig geweest. Er ligt wel een nat preparaat van een door kanker aangetaste long, maar het is een long met een uitgezaaide kanker, niet een longkanker die je heel direct met sigaretten roken kunt associëren. Ik zou geen tentoonstelling kunnen inrichten waarvan veel mensen het idee overhouden in een tijdbom te leven. We kennen in de medische wereld de kandidatenziekte van eerst- en tweedejaars studenten die alle ziekten denken te hebben waarover ze lezen. We hebben geen enkele behoefte aan de museumziekte, behalve als die zich zou uiten als veelvuldig museumbezoek.”

Wie zich wil onttrekken aan de kijkdozendwang van de vormgever en een beter zicht wil kan de kunststof flappen omhoog klappen. Ook het optillen van kinderen, om hen zicht te bieden op de volwassenenexpositie wordt door de suppoosten niet verhinderd. Grooss: “Maar nazorg verlenen we niet. We brengen de jeugdige bezoekers de komende weken niet naar bed.” Een suppoost reageerde negatief op de vraag van een bezoeker of het museum de kosten voor fysiotherapie wegens rugklachten vergoedt.

De preparaten komen uit het depot van het Boerhaavemuseum en uit de collecties van enkele medische faculteiten. Grooss en collega Gerhard Kreeftmeijer zijn menige kelder in en zolder op geweest. Een paar wasmodellen die nu in de vitrine liggen, toonden pas hun ware pracht na een grote schoonmaak.

Tot de pronkstukken uit eigen collectie behoren enkele wasmodellen die op een Franse veiling zijn gekocht uit de boedel van een kermissen langsreizend gruwel- en rariteitenkabinet. Een vrouwentorso en -hoofd uit die verzameling laat van voren links het spierstelsel onder de huid zien, rechts de organen in de buik- en borstholte en skeletdelen, maar van achteren, waar de huid intact is, hangt nog een grijze vlecht tot op de billen. Een ander curiosum van deze kermisattractie is een hoofd waar van onderen alleen de spijsverteringsorganen aan vast zitten, van slokdarm tot anus, in bloederig roodbruin op een satijnen kleed gedrapeerd.

Oude preparaten

De belangrijkste functies van het menselijk lichaam hebben op de tentoonstelling aparte kamertjes gekregen. Werking, bouw en ziekten van huid, skelet en spieren, ademhaling, hartslag, de zintuigen, spijsvertering, de bloedsomloop en de urinewegen en geslachtsorganen worden met preparaten getoond en met korte teksten toegelicht. Het resultaat is een korte herhaling van lange biologielessen aan de hand van vaak prachtige preparaten.

Opvallend is dat de meeste preparaten en modellen al vaak een eeuw oud zijn. Grooss: “De tijd die het kostte om een preparaat te maken was toen nog geen factor van belang. En aan de bewaartechniek is niet veel veranderd. De oudst bewaarde preparaten zijn met alcohol geconserveerd, later werd formaline gebruikt en tegenwoordig wordt er veel met giethars gewerkt, waardoor het water wordt verdrongen. Er gaan tegenwoordig veel oude universitaire collecties verloren, omdat er geen geld is voor onderhoud. Het heeft me echter verbaasd hoeveel preparaten die we wilden gebruiken voor de tentoonstelling niet voor lange tijd in bruikleen werden gegeven, omdat ze nodig zijn voor onderwijs. Waarschijnlijk roepen bezuinigende universitaire bestuurders veel te snel dat de museale collecties geen waarde meer hebben voor onderzoek en onderwijs.”