Zegt u maar je en jij

DELFT. Traditionele vormgeving en orthodox materiaalgebruik zul je hier niet vinden. De kastjes zijn van spaanplaat, van board, of van gegalvaniseerd ijzer. Sommige kastjes hebben laatjes van karton, er is zelfs een klok van bordpapier. We zien lampjes die aan ijzerdraadjes hangen, bijzettafeltjes op zwenkwieltjes.

Aan kinderen is gedacht; er is een speelzaal met duizenden plastic ballen, een verschoonruimte, een kamer met een televisietoestel en kussens op de vloer.

Als je de sfeer in deze Ikea-vestiging in één woord zou moeten omschrijven, dan kom je al gauw op het woord 'informeel'. Het Ikea-meubilair heeft geen pretenties en is niet belast met vormtradities. De kroonluchter mag hier in roestvrijstaal worden uitgevoerd, het lampekapje in doorschijnend plastic en de goedkoopste boekenkasten maken ze bij Ikea al sinds jaar en dag in spaanplaat, zonder dat ze daar moeilijk over doen. Soms koketteren ze een beetje met al dat gebrek aan flauwekul, bijvoorbeeld bij de kast met panelen die zijn gemaakt van gerecycelde Ikea-catalogi.

Zo informeel als de spullen zijn de mensen. Hier ga je meteen op het bed liggen als je de matras wilt proberen, dat geeft niks. Het personeel is vriendelijk, het is dat ze allemaal een blauwe broek en een gestreept overhemd aan hebben, maar anders zouden ze niet te onderscheiden zijn van het soort mensen dat je hier veel ziet: twintigers, dertigers en veertigers, allemaal in het bezit van een HBO-diploma schat ik, of daar voor studerend. De gesprekstoon is die van goede kennissen. De jongens en meisjes in de blauwe broeken zeggen meestal 'je' en 'jij' tegen de bezoekers, en ook op de reclameposters die overal hangen wordt de clièntele getutoyeerd: “Je bedient jezelf”, “Je transporteert zelf”, “Je zet het zelf in elkaar”. Een opgewekte stem uit de luidsprekers zegt: “Ben, toestel veertien.” “En de directeur heet hier gewoon Ed,”, zegt het meisje achter de kassa, als ze een in hout en aluminium uitgevoerde klemspot inpakt (ƒ 19,75).

Je hoeft er maar tien minuten te lopen en dan weet je het. Ikea is de triomf van de jaren zestig. Een praktische en uiterst succesvolle toepassing van de verworvenheden van dat decennium. De afrekening met overleefde omgangsvormen, de relativering van de goede smaak en de emancipatie van de eigen voorkeuren, je kunt het hier allemaal zien. Voor de jaren zestig en alles wat daarin gebeurde is de belangstelling tegenwoordig groot. Drie boeken die er recentelijk over verschenen (van de Nederlanders Wigbold en Righart, en van de Amerikaan Kennedy) zijn er duidelijk tekenen van, en tegelijkertijd jagen ze die belangstelling weer aan. De discussie gaat over een aantal vragen: wat is er precies gebeurd, wat waren de oorzaken en hoe moeten we die culturele revolutie nu waarderen? Over de eerste twee vragen wordt al langer gediscussieerd, vooral in academische kringen, over de laatste is het debat publieker en lopen de emoties soms hoog op. Het behoort tot de politieke correctheden van tegenwoordig om over de jaren zestig te oordelen als een periode van 'collectieve gekte'.

S.W. Couwenberg schreef vorige week op deze pagina een beschouwing waarin hij duidelijk maakte niet veel op te hebben met de doelen van de revolutionairen van destijds: “Met diepgewortelde burgerlijke tradities, deugden en waarden werd onbeschroomd afgerekend.” Met enige afkeuring spreekt Couwenberg over de toen heersende mentaliteit van “alles moet kunnen' en hij is blij dat er inmiddels weer een kentering is ingezet, een terugkeer naar de “traditionele, burgerlijke kern van onze Nederlandse identiteit.' De tijden, die zijn gelukkig weer aan het veranderen, meent Couwenberg.

Maar is dat zo? Waren de jaren zestig werkelijk een kermis van vrije liefde, drugs en voortdurende contestatie? Een achteraf lachwekkende massale begoocheling van de kritische zin? De geschiedschrijving kan moeilijk ontkomen aan de tekenende evenementen van die periode. Maagdenhuis, Dolle Mina, Provo, Bart Huges, Phil Bloom, de Telegraafrellen, Kralingen - geen geschiedenisboek kan het zich permitteren de fotogenieke hoogtepunten van die periode over te slaan. Maar die gebeurtenissen zijn langzamerhand clichés geworden. Ze zijn zó gretig geaccepteerd als symbolen van wat er aan het veranderen was, dat zo langzamerhand aan het oog is onttrokken wàt er nu precies veranderde. Bijvoorbeeld de ingrijpende verandering in de manier waarop mensen in het dagelijkse leven met elkaar omgaan. Een verandering die tot op de dag van vandaag doorwerkt. De socioloog Johan Goudsblom, in 1968 tot hoogleraar benoemd aan de roerige Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, keek in een interview in Vrij Nederland (17 juni) met een zekere waardering op zijn moeilijke begintijd terug. Er is veel weer teruggedraaid, maar van een volledige restauratie is geen sprake, zei hij. “De verhoudingen tussen studenten en hoogleraren zijn beslist soepeler geworden, en dat is mede te danken aan de brutaliteit van de studenten uit de vroeg jaren zeventig.” Ze zeggen veel makkelijker wat ze vinden, ze uiten kritiek. “Je moet er even aan wennen, maar ik vind het prettig”, zegt Goudsblom. Als de klemspot is ingepakt zeg ik tegen de vriendelijke cassière: “Jullie zeggen hier allemaal je en jij.” “Ja”, zegt ze. “Het geeft minder afstand. Het is het concept.” Het concept? “We moeten het. Het is van bovenaf opgelegd.”

Een antwoord dat uitnodigt tot lang mijmeren. Is die dwang verraad aan de geest van de jaren zestig? Was het niet de bedoeling dat die vertrouwelijkheid uit de mensen zelf kwam, en is gedwongen tutoyeren niet volledig inhoudsloos?

Maar nee, het is veel aannemelijker dat precies dit voorschrijven van de je-vorm de overwinning van de informalisering is, het definitieve bewijs voor de stelling dat de geest van de jaren zestig langzaam maar zeker is geëmancipeerd tot een levensstijl. Een stijl met een eigen esthetiek, eigen omgangsvormen, en een waardensysteem dat zo compleet en samenhangend is, dat met de consequente naleving ervan inmiddels flink geld kan worden verdiend. Dat hebben Ed en zijn mede-directeuren heel goed gezien.

    • Warna Oosterbaan