Terug naar het telraam

Op de zwartste school van Amsterdam staan taal, rekenen en lezen centraal, houdt de onderwijzer de kinderen bij de les en is huiswerk doodgewoon. 'Kinderen mogen niet naar de wc als je instructie geeft.'

'Ik-houd-de-plank-wel-vast.' Terwijl Vikash de letters tot woorden smeedt, en de woorden tot een zin, frunniken zijn leesgenoten in hun haar en turen naar de bladzijde. Niemand giechelt. Straks krijgen zij ook een beurt, want die krijgt iedereen, en dan lezen ze net zoals hij. In het ritme van de beginner. Met de intonatie van het onbegrip. Verrast als hun oog een punt of een vraagteken ontmoet.

Zeven leerlingen uit groep zes van basisschool 'de Polsstok' in Amsterdam Zuidoost. Kinderen van tien jaar. Wat ze net hebben gedaan, en elke ochtend het eerst doen, heet technisch lezen: uitspraak en intonatie, meer niet. 'Ze horen eigenlijk te zitten op niveau AVI-7', zegt de lerares van 6-C, Jane Brigitta. Ze zet na elke beurt een kruisje in de tabel in haar ringband. 'Toetsresultaten' staat erboven. Van niveau AVI-5.

Geen van deze zeven kinderen is geboren in Nederland. Elke ochtend kwart voor negen neemt Brigitta hen apart om ze op te duwen naar het niveau van hun leeftijdgenoten, eerst naar het niveau van de rest van de school en dan van de rest van Nederland.

Het onderwijs in Amsterdam Zuidoost werd enkele maanden geleden in opspraak gebracht toen een krantekop alarmeerde dat de kinderen daar wel drie jaar achterliepen als ze aan de Cito-eindtoets begonnen. Dat zou zijn gebleken uit een vergelijking van de Cito-resultaten door het onderwijskundig bureau Seneca. Er viel uiteindelijk heel wat op de kranteboodschap af te dingen, maar dat die door de meeste media inmiddels klakkeloos was overgenomen, komt ongetwijfeld doordat ze overeenkwam met hun verwachting. Zuidoost staat te boek als een probleemwijk. Het stadsdeel heeft het hoogste aantal allochtonen van Amsterdam, een schreeuwende werkloosheid en een verhuistempo dat een duiventil in gedachten brengt. Bij zoveel sociale problemen mag je kennelijk niet veel van de leerlingen verwachten.

De Amsterdamse wethouder J. van der Aa (onderwijs) zei in juni op een bijeenkomst in het stadhuis dat hij aanvankelijk van dezelfde redenering was uitgegaan. Het aantal allochtone kinderen in de stad kon, had hij altijd gedacht, zonder meer verklaren waarom Amsterdamse basisscholen over het algemeen onder het landelijk gemiddelde voor de Cito-toets (535 punten) blijven.

Het ministerie van onderwijs heeft dat verband zelfs in de wet vastgelegd. Voor een kind met ouders die niet in Nederland zijn geboren, betaalt Zoetermeer bijna twee keer zoveel als voor een oer-Hollands kind zonder andere 'verzwarende' factoren. De SE-factor heet dat en allochtone kinderen 'wegen' 1.9 op deze schaal. Een school met veel 1.9-kinderen, wordt als een zwarte school beschouwd. In Amsterdam is 55 procent van de schoolkinderen allochtoon.

'Naarmate er op een school meer allochtone kinderen zitten, zijn de prestaties van de Nederlandse en allochtone leerlingen lager', constateert dr. M.P.C. van der Werf, die het achterstandsbeleid van het ministerie evalueert. Hij vatte in een artikel in Basisschool Management de resultaten samen van een 'diepte-onderzoek' op veertien basisscholen met veel allochtone leerlingen. Maar Van der Werf vermaant degene die uit die observatie de schijnbaar vanzelfsprekende conclusie trekt dat scholen met veel allochtone leerlingen, slechte scholen zijn. 'Er zijn ook goede scholen met veel allochtone leerlingen. Scholen waar zowel de Nederlandse als de allochtone leerlingen hoger scoren dan het landelijk gemiddelde en waar tegelijkertijd de verschillen tussen beide groepen zeer klein zijn.'

Daarom was wethouder Van der Aa op die bijeenkomst in juni niet somber maar strijdvaardig. Zestien van de 70 zwarte scholen in Amsterdam scoorden in 1994 al boven het landelijk gemiddelde bij de Cito-toets. 'We kennen de oplossing', zei hij. 'We hoeven er geen draconische maatregelen voor te nemen en er is ook geen tien miljard gulden voor nodig.'

De oplossing wordt de 'effectieve school' genoemd en Van der Aa heeft gisteren met de besturen van alle basisscholen in Amsterdam een convenant gesloten dat effectieve scholen beloont en niet-effectieve straft. In juni toonde hij al het lijstje met kenmerken van de effectieve school: - Op de effectieve school staan taal, lezen en rekenen centraal. - Zij stelt duidelijke einddoelen en toetst regelmatig het niveau van de leerlingen ten opzichte van leeftijdsgenoten. - De onderwijzer geeft veel klassikale instructie. - Hij of zij houdt de kinderen bij de les. - Geeft extra instructie buiten de les. - En geeft consequent huiswerk mee. 'Gevaarlijk ouderwets, hè', grijnsde Van der Aa tegen zijn gehoor.

Ouderwets oogt de klas van Jane Brigitta zeker. Terwijl steeds meer basisscholen de inrichting van het lokaal afkijken bij Montessori- of Jenaplan-scholen, is hier geen poppenhoek, geen speelgoedboerderij en geen kleurrijk lesmateriaal te bekennen. Schoolkrijt, schriften, een telraam en een rijtje leesboeken, dat is het hele onderwijsmateriaal. De eerste voorbeeldzin van het schrijfschrift luidt: 'En nu al wéér een nieuw en fris cahier'. De zin van vandaag ('direct was toen de klas in rep en roer') wordt klassikaal nageschreven, keer op keer, in het tempo dat Brigitta aangeeft.

Het lijkt misschien niet zo efficiënt - tot Brigitta 'volgende regel' zegt zitten de snelle kinderen wat om zich heen te kijken - maar de resultaten van de Polsstok liegen niet. Als je ervan uitgaat dat hoe 'witter' de school is, des te hoger de Cito-resultaten zullen zijn, dan kun je die ranglijst leggen naast de lijst van 'wit' naar 'zwart'. De witste school moet dan bovenaan de Citolijst staan, de zwartste onderop.

In 1994 'woog' 83,4 procent van de 550 leerlingen op de Polsstok 1.9 volgens de SE-indeling. Daarmee was ze ook in absolute zin de zwartste school. (In 1988 was het percentage nog 70.) Toch stond de Polsstok in 1994 op de vierde plaats van de 29 scholen in Zuidoost.

Waar directeur Wim Davelaar van de Polsstok vooral trots op is, is dat terwijl het aantal 1.9-leerlingen op zijn school is toegenomen van 70 procent in 1988 tot ruim 83 procent vorig jaar, de toetsresultaten min of meer gelijk zijn gebleven. Een op de vijf allochtone kinderen zit nu boven het landelijk gemidelde.

Beginniveau

Van allochtone leerlingen is het beginniveau vaak laag. Taal is de grote drempel. Woorden lezen gaat meestal nog wel, ze begrijpen is het grootste probleem. Dat zit 'm in de bagage die ze bij zich hebben, wanneer ze met school beginnen. Kinderen uit bevoorrechte milieus zijn dan al wel naar een dierentuin geweest, soms naar een museum en hebben al veel voorgelezen gekregen. Relatief veel allochtone kinderen missen dat van huis uit, aldus Davelaar.

Maar het beginniveau is niet doorslaggevend. Onderzoek heeft aangetoond dat de taalachterstanden die allochtonen hebben ten opzichte van Nederlandse leerlingen, toenemen naarmate de leerlingen langer in het basisonderwijs zitten. Scholen kunnen het dus soms erger maken. Daarom is Davelaar, meer dan in de Citoresultaten, geïnteresseerd in wat hij de 'leerwinst' noemt. 'Het gaat om de vorderingen van je leerling tussen begin- en eindniveau. Dat is de toegevoegde waarde van de school. Daar wil ik graag op worden beoordeeld. Ik vind het een grotere prestatie als een leerling die twee jaar tevoren bij ons op school is gekomen, een redelijke Cito-toets maakt, dan wanneer een bij ons in groep 1 begonnen leerling op het landelijk gemiddelde uitkomt.'

Toegevoegde waarde

Onderzoeker Van der Werf heeft gekeken hoe de scholen hun toegevoegde waarde voor allochtone leerlingen kunnen vergroten. In de eerste plaats besteden de door hem onderzochte effectieve scholen meer tijd aan taalonderwijs. Acht uur per week, met veel aandacht voor begrijpend lezen, tegen vijf uur per week op de minder effectieve scholen. De allochtone leerlingen krijgen zonodig aangepast onderwijs in de Nederlandse taal. Als ze achterblijven, krijgen ze buiten de reguliere taalles nog extra ondersteuning. Kinderen die halverwege de schoolloopbaan uit het buitenland komen, worden apart opgevangen. In Amsterdam Zuidoost gebeurt dat sinds twee jaar op een centraal punt, waar alle basisscholen pas-geïmmigreerde leerlingen heen verwijzen. En het onderwijs is er klassikaal. Het is een minder effectieve school waar (allochtone) kinderen individueel worden opgevangen.

Voor de leerlingen zijn dit de belangrijkste kenmerken van de effectieve school. De leraren moeten volgens Davelaar vooral letten op het efficiënt indelen van de tijd. Effectiviteit is tijdwinst, zegt hij. 'Voor je als leraar begint, moet je je stenciltje klaarhebben. Dat hoef je alleen nog maar uit te delen. Kinderen mogen niet naar de wc als je instructie geeft. Zorg dat de overgang tussen twee onderdelen soepel verloopt. Op andere scholen kan de pauze die op papier een kwartiertje duurt, uitlopen tot een halfuur.'

Het is kwart over negen, op basisschool de Polsstok hebben de zeven leeskinderen plaatsgemaakt voor de gewone klas van Jane Brigitta. Het is een efficiënte operatie geweest die Davelaar tevreden zou hebben gestemd. 'Dan mag je je huiswerkmap even openslaan. Wat je nog moest maken voor Woordpakket.' Het weekrooster dat ze voor zich op tafel heeft liggen, geeft haar een kwartier de tijd voor het nakijken. Groepje voor groepje komt bij haar tafel staan met de huiswerkmap. 'Die is nog steeds fout', zegt ze. 'En die ook en die ook en die ook.' 'Ik dacht dat ik ze fout moest schrijven', zegt het jongetje. 'Nee, we moeten toch juist leren hoe we goed kunnen schrijven.'

Hier geen poppenhoek, geen speelgoedboerderij en geen kleurrijk lesmateriaal maar alleen schoolkrijt, schriften, een telraam en een rijtje leesboeken.

    • Bas Blokker