Spuiten voor Polen

De Poolse bossen worden niet alleen geplaagd door luchtvervuiling maar ook door insektenplagen. De nonvlinder, een van de schadelijkste insekten, wordt sinds kort effectief bestreden.

Een kleine airstrip aan de rand van een uitgestrekt dennebos bij Staporków in Zuidoost-Polen. Het enige gerucht komt van een vliegtuigje dat zojuist is opgestegen om te demonstreren hoe bomen worden besproeid met middelen ter bestrijding van een vraatzuchtig beestje: de rups van de nonvlinder. Jacek Stocki staat er tevreden bij. Als coördinator bestrijding bij het Poolse ministerie van bosbouw mag hij dat ook zijn.

'Vorig jaar', vertelt hij, 'was 750.000 hectare naaldhout ernstig aangetast. We hebben dat hele oppervlak uit de lucht bespoten en met succes, want de mortaliteit onder de rupsen bedroeg honderd procent. Dit jaar volgde een kleiner stuk met hetzelfde resultaat. En volgend jaar is spuiten misschien niet eens meer nodig. Ik denk dat we de plaag onder controle hebben.'

Stocki heeft extra reden voor voldoening, omdat de toegepaste middelen veel milieuvriendelijker zijn dan wat hier vroeger over de bossen werd uitgestrooid. De klassieke insekticiden waren bijna net zo erg als de kwaal doordat niet alleen de rups, maar ook een menigte andere diertjes aan het gif bezweken. Maar sinds 1994 wordt gewerkt met Dimilin, een chemisch middel dat slechts effect heeft op bepaalde geleedpotigen, en met een bacteriënpreparaat onder de naam Foray 48B. In beide gevallen wordt de plaag bestreden zonder noemenswaardig nadeel voor de overige fauna.

Daarom heeft ook de Europese Unie geld in dit project gestoken. De Poolse aanval op de nonvlinder (Lymantria monacha, een nachtvlinder) kostte in totaal veertig miljoen gulden, waarvan 'Brussel' ruim een derde financierde. Die som is geschonken in het kader van het Phare-programma, dat vijf jaar geleden werd ingesteld om Oosteuropa rijp te maken voor de Unie. Een bijdrage aan een gezonder milieu in Polen, maar ook ter verbetering van de nationale economie. Het land put een deel van zijn inkomsten uit hout.

Maar het Poolse woud is als een inkomstenbron in verval. Van de 8,7 miljoen hectare bos die het land bedekt, verkeert slechts twintig procent in goede gezondheid. De rest is aangetast door luchtvervuiling en insektenplagen. Een zwakte is de sterke overheersing van naaldhout - zeker als het gaat om de nonvlinder, die haar eitjes pleegt te leggen in de schors van fijnspar, grove den en lariks.

Letterzetter

Samen met de letterzetter (een kever) behoort de nonvlinder tot de schadelijkste Europese bosinsekten: 600 tot 1000 rupsen kunnen een boom compleet kaalvreten. Vooral Polen heeft er onder te lijden gehad, vooral in de periode 1978-1984, toen zich hier de grootste nonvlinderplaag van de eeuw voltrok. De jonge rupsen blijven na hun geboorte (begin mei) meestal enkele dagen op de stam van de boom en trekken dan naar boven, waar ze eerst de jonge naalden en vervolgens de oudere opvreten. Dat gebeurde vanaf 1978 op ongekend grote schaal. Dichtheden van 10.000 tot 20.000 rupsen per boom waren destijds geen uitzondering.

De jongste plaag, die enkele jaren geleden begon, was minder uitgebreid dan de vorige. De bestrijding verliep effectiever door het gebruik van de nieuwe sproeistoffen Dimilin en Foray.

Een sterke impuls om juist deze middelen toe te passen, gaf prof. Barbara Glowacka, hoogleraar biologie aan de universiteit van Warschau en medewerkster van het Poolse Instituut voor Bosonderzoek. Op de airstrip bij Staporków legt ze uit: 'Dimilin verhindert de aanmaak van chitine, waardoor de rups niet van huid kan wisselen. Dat heeft na een week tot tien dagen de dood tot gevolg. Foray, het bacteriënpreparaat, zorgt ervoor dat de rups niet meer eet en dan sterft hij na enkele dagen.'

Foray wordt gemaakt van de bacterie Bacillus thuringiensis, genoemd naar Thüringen in Duitsland, waar dit type voor het eerst werd geïsoleerd. Foray, een merknaam, is aanzienlijk duurder dan Dimilin, reden waarom Dimilin, dat synthetsich is, de ruimste toepassing kreeg. Van de 750.000 hectare bos die vorig jaar werd besproeid, kreeg 600.000 hectare Dimilin en 150.000 hectare Foray toegediend.

Volgens Glowacka steken ze beide met kop en schouder boven de conventionele chemische middelen uit: 'Die veroorzaakten een complete kaalslag in de kruinen van de bomen. Niet alleen de rups van de nonvlinder, maar bijna alle insekten, ook de nuttige, werden uitgeroeid. Diverse soorten kevers, het lieveheersbeestje, spinnen en parasitaire vliegen. Die laatste leggen hun eitjes in de larve van de nonvlinder. Het zijn onze medestanders in de strijd tegen de nonvlinder, maar door die chemicaliën werden ze massaal uitgeschakeld. Maar die tijd is voorbij nu a-selectief heeft plaats gemaakt voor selectief.'

Terloops laat prof. Glowacka weten dat ze jaren geleden een bezoek aan Nederland heeft gebracht om medewerkers van de Dorschkamp, rijksinstituut voor onderzoek in de bosbouw te Wageningen, van advies te dienen bij de bestrijding van de nonvlinder. Dat was in 1986, toen de Poolse 'epidemie' zich naar het westen, tot halverwege Noord-Brabant, had uitgebreid.

Plagen van deze nachtvlinder waren hier te lande slechts bij hoge uitzondering voorgekomen; de laatste dateerde van 1907-1909 en omvatte toen het hele gebied ten zuiden van de lijn Breda-Tilburg-Eindhoven. Rond 1986 openbaarde zich, als verre uitloper van de Poolse haard, een kleinere uitbarsting op diverse plaatsen in Noord-Brabant. Een inventarisatie door de Dorschkamp wees uit dat de rups van de nonvlinder 2.800 hectare overwegend grove-dennebos had aangetast. Daarop werd een perceel van dertig hectare bij Luyksgestel vlakbij de Belgische grens afgebakend als proefgebied voor het gebruik van twee bestrijdingsmiddelen: Dimilin en een viruspreparaat, een zogenaamd kernpolyedervirus, ontwikkeld in het laboratorium voor virologie van de Landbouwuniversiteit. De keus was op dit biologische middel gevallen op grond van de ervaring dat nonvlinderplagen als gevolg van virusepidemieën kunnen instorten.

Jonge naalden

De bedoeling was het besproeide terrein bij Luyksgestel te vergelijken met onbesproeid gebied, maar dat plan viel in duigen doordat de Brabantse rupsenplaag spontaan ophield. Een rapport van de Dorschkamp uit 1987 (dr. P. Grijpma en anderen) meldt: 'Nadat beide bestrijdingsmiddelen waren uitgebracht bleek echter dat ook de nonvlinderpopulatie in het onbehandelde gebied zeer snel afnam en uiteindelijk tot nul werd gereduceerd, zonder dat hiervoor direct aanwijsbare redenen aanwezig waren.'

Elders wordt niettemin een mogelijke oorzaak genoemd: 'Het meest waarschijnlijk werd de grootste sterfte in de nonvlinderpopulatie veroorzaakt door het niet tijdig beschikbaar zijn van jonge naalden als eerste voedsel voor de uitgekomen rupsen.'

Hetzelfde rapport maakt gewag van twee 'vooraanstaande buitenlandse nonvlinderdeskundigen' die de Dorschkamp alsook het Brabantse 'plaaggebied' bezochten om advies uit te brengen: prof. dr. J. Schönherr uit Freiburg en dr. B. Glowacka uit Warschau. Glowacka kan het zich negen jaar later nog goed herinneren: 'Ja, dat was een merkwaardige afloop van de Nederlandse rupsenplaag. Nou ja, plaag... die naam mocht het in onze ogen niet hebben, een paar honderd hectare bos, niet vergelijkbaar met wat zich in Polen had afgespeeld.'

Dat Nederland destijds een viruspreparaat in de strijd wierp, staat haar nog helder voor de geest: 'Maar virussen zijn duurder dan bacteriën, dus houden wij het op de Bacillus thuringiensis, die ons tot nu toe niet teleurstelt.' Bestrijdingscoördinator Stocki: 'Honderd procent sterfte onder de rupsen, meer is toch niet te bereiken?'

De tijd van aselectieve bespuitingen is voorbij, a-selectief heeft plaats gemaakt voor selectief

De nonvlinder: rups en vlinder. De non- of Nunvlinder heeft een voorkeur voor naaldhout en kan enorme verwoestingen aanrichten.

Professor Barbara Glowacka.