Schamele aanleiding voor avontuur

Voorstelling: De Cenci van P.B. Shelley door Het Zuidelijk Toneel. Regie: Dora van der Groen. Decor/licht: Jan Versweyveld. Spel: Johan van Assche, Nettie Blanken, Chris Nietvelt, Bart Slegers e.a. Gezien: 25/10, Chassetheater, Breda. Nog te zien: aldaar vanavond, eldsers t/m 30/12. Inl. 040-333633

Incest - daarover zou P.B. Shelley's enige voltooide toneelstuk The Cenci (1819) kunnen gaan. Een verdorven edelman, die een feestmaal heeft aangericht nadat hij twee van zijn zoons heeft laten vermoorden, vergrijpt zich aan zijn dochter. Toonbeeld van schoonheid en onschuld als deze Beatrice zijn mag, neemt zij wraak en laat zij haar vader ombrengen. In het laatste van het vijf bedrijven tellendestuk gaat het om haar brechting en veroordeling tot de dood. Het is een gedurig oog om oog, tand om tand, inktzwart kwaad van het begin tot het einde.

Hoe eenduidig het stuk ook in dat opzicht ook is, het valt in twee afzonderlijke delen uiteen. De dood van de vader brengt een duizelingwekkende ommezwaai teweeg: Beatrice wordt in plaats van slachtoffer dader. Men kan dat zien als een bitter-mooie omkering van zaken, maar die komt het stuk niet ten goede. De moord op de vader had of het begin moeten zijn of het slot. Dan had Shelley al zijn energie kunnen wijden aan het thema van het kwaad dat kwaad uitlokt en dat wellicht niet zou moeten doen. Hij had inzicht kunnen verschaffen in het ontoereikende van het goede of juist kunnen tonen dat het goede het kwaad hoe dan ook overwint. Hij had een tour d'horizon kunnen maken tussen beide uitersten, binnen het eeuwige kader van menselijk handelen en denken.

Nu versnippert hij zijn aandacht en die van het publiek, de vraag is nu waar De Cenci eigenlijk over gaat. Het antwoord stuit op een vader die integraal slecht is en die slechts een enkel moment van vertwijfeling beleeft. Hij is een psychiatrisch geval dat opgesloten en onder behandeling gesteld moet worden. Hij is goed voor een spannende thriller van Brian de Palma of een case-story van Oliver Sacks, maar op het toneel is hij grand guignol, dat wil zeggen nauwelijks interessant en zo plat als een dubbeltje. Voor Beatrice geldt vrijwel hetzelfde; alleen haar in meeslepende bewoordingen gevatte gemoedstoestand na de verkrachting is boeiend, ervoor is ze nauwelijks verzet biedende onschuld, erna onverzettelijk moordenares.

Wat heeft Dora van der Groen bezield dit nooit eerder in Nederlnad opgevoerde stuk te ensceneren? Het geweld en de onverschillige reactie van 'de wereld' erop, lees ik, maar het eerste is, bedreven door een gek, van ieder belang ontbloot en de onverschilligheid is, zeker in de voorstelling, een gevolg van de corrupte mentaliteit van de Roomse kerk. Dat pausen door de eeuwen heen en zeker in de zestiende eeuw, waarin het stuk speelt, in ruil voor klinkende munt of land de grootste schurken aflaten verleenden, is bekend en lijkt me geen verschijnsel dat nu nog eens duchtig aan de kaak gesteld moet worden.

Duchtig is in dit geval bijna een eufemisme: Van der Groen maakt er bepaald werk van om de clerus als geile bokken neer te zetten. De handen van de prelaat Orsino, gespeeld door Steven van Watermeulen, wroeten voortdurend in het eigen kruis, als ze niet op weg zijn naar dat van en ander. Hij werd gaandeweg een pars pro toto voor het probleem van deze stelling: het stuk is slechte een excuus, een schamele aanleiding, voor een stilistisch avontuur. In een kaal toneelbeeld, waarin op de voorgrond een aantal op martelbanken gelijkende stoelen de toon bepaalt, leven de acteurs zich uit in de Vander Groen-stijl, verstarren in slow- motion, houden hun hand voor hun achterste als ze voor 'dringende zaken' afgaan en geven zich anderzijds over aan hogere retoriek - om direct daarop relativerend de duisternis achter de stoelen in te rennen en letterlijk in de grond weg te zakken.

Het is misschein vrij en speels, deze benadering, maar behalve de durf van Van der Groen en het wendbare talent van de acteurs toont zij niets. Al dat aplomb, die als van de Vlaamse Primitieven gekopieerde plaatjes, dat verblindende witte vlees van Nettie Blanken als Lucretia (de vrouw van de bruut) in haar laag uitgesneden, groenfluwelen avondjurk, de zogenaamd veelzeggend onveranderlijke belichting van alleen het voortoneel - waartoe dient is een raadsel. De engel die, in het donkere gedeelte van het decor, op gezette tijden rondwaart, lost het niet op. Integendeel, hij is een goedkoop symbool en een te voor de hand liggende tegenhanger om het kwaad in zijn nabijheid gelaagdheid te geven. Hij is een machteloos instrument van een regisseur die in de eerste plaats geinteresseerd is in haar eigen stijl en vondsten.

    • Pieter Kottman