Nut op commando

Economisch nut van wetenschapsbeoefening. Met deze dekmantel verhullen onze politici hun eenzijdige, kwaadaardige visie op alles wat met universiteiten te maken heeft. Kwaadaardig, want de drijfveer van hun denktrant is een merkwaardig anti-intellectualisme dat steeds kenmerkender gaat worden voor de geestesgesteldheid op het eind van deze eeuw. Daar helpen ook geen wetenschapsweken aan, want die zijn er voornamelijk pour épater le bourgeois. Je moet immers tegen een gemiddeld televisieprogramma opboksen wil je nog publiek trekken.

Het anti-intellectuele bestaat niet zozeer uit het nuttigheidsdenken. Op dat laatste is helemaal niets tegen. Het is al vele eeuwen lang, ook voor de wetenschap, een belangrijke inspiratiebron. De rariteit van het huidige tijdsgewricht is dat men helemaal niet meer wenst te denken. Dat is immers tijdverlies. Nog belangrijker: ergens over denken betekent dat je het niet precies weet. En dat is zo'n beetje het meest rampzalige voor de huidige mens, wil hij of zij voldoende cool zijn. Het verklaart ook de sterke opkomst van het regio-nationalisme, het eco-fascisme, het single-issue-redeneren: beperk je tot een duidelijk, vereenvoudigd object, doe of dat allesoverheersend belangrijk is, bekommer je niet om de complexiteit en veelzijdigheid van alles wat op deze planeet gebeurt. Schaf daarom het verder denken af. Pas dan 'weet' je het. Je weet het dan zo goed dat een ander die het niet weet, of niet wil weten, desnoods geliquideerd mag worden. Denken, twijfelen, het niet-weten is juist kenmerkend voor de wetenschapsbeoefening. Wetenschap en ideologie zijn water en vuur. Daarom zullen politiek en wetenschap elkaars eeuwige tegenpool blijven. Samenleven op afstand is mogelijk, en uiteraard onvermijdelijk, maar onder één deken vertoeven, laat maar. Hoe sterker de ideologische idiotie, des te sterker de haat tegen een vrije, kritische wetenschap. Toch heeft de wetenschap, in grillige verwevenheid met technologie, ondanks al dat niet-weten in nog geen eeuw tijd het menselijk leven, inclusief dat van de meest radicale anti-intellectueel, volledig veranderd. Daarom kan een wetenschapsbeoefenaar iedere politicus die begint over economisch nut toevoegen: Heb je nog niet genoeg gehad? De bril op je kop met dubbele focus, je schoon gewassen onderbroek, het nauwelijks of niet meer sterven van je kinderen op zeer jonge leeftijd, je hele vervoer, je communicatie, je vermaak inclusief de van voortplanting ontkoppelde seks, het elastische fiber waar je onhandelbare zoon aan bungelt bij het bungy-jumpen, je voeding: in bijna alles profiteer je elke seconde in meer dan volle teugen van het bedje dat de wetenschap voor je gespreid heeft. Goed, roept de aansprokene, je hebt gelijk. Maar nu zitten we met nieuwe problemen. Laat de wetenschap daar wat aan doen. Daarmee is de wetenschap een soort God geworden die alles moet oplossen, zo snel mogelijk, anders wordt men boos en gaat men de gebedshuizen (de universiteiten) in brand steken of anderszins vernielen. Nuttigheid van wetenschapsbeoefening, ik noemde het al, is op zich een gezond streven en bevordelijk voor de wetenschap zelf. Het hele probleem draait om de tijdsschaal. Wat niet kan, en wat politici en andere do-good'ers beslist willen, is nuttigheid op commando. Burton Richter wees onlangs bij zijn afscheid in Washington als voorzitter van een van Amerika's belangrijkste wetenschappelijke organisaties, de American Physical Society, op dit probleem. De weg van wetenschap naar nuttige toepassing is allesbehalve een goed gemarkeerde, directe weg. Vrijwel alle grote recente technologische doorbraken met ingrijpende sociaal-economische gevolgen zijn gebaseerd op fundamenteel wetenschappelijk werk dat al tientallen jaren oud is. Bovendien wordt zo'n doorbraak gekenmerkt door een synthese van ontwikkelingen in aanvankelijk volkomen verschillende gebieden. Alles op het gebied van de huidige communicatiemiddelen, het hele aardse bestaan van de media is te danken aan het samengaan van zeer langlopend wetenschappelijk werk, zowel theoretisch als experimenteel, op het gebied van licht, elektromagnetisme, en nieuwe, geavanceerde materialen. Wie het lange-termijn onderzoek gaat verminderen, verspilt de brandstof voor toekomstige ontwikkelingen. Recent onderzoek van Stanford University laat zien dat nieuwe, op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde technologie 30 tot 50 procent van de economische groei levert. Het verlies aan toekomstige welvaart kan enorm zijn, vooral als blijkt dat je economische rivalen (Japan, Asian Tigers) niet op lange-termijn onderzoek bezuinigd hebben. Hier ligt een van de grootste gevaren voor de westerse economie: de industriële bijdrage aan het lange-termijn wetenschappelijk onderzoek is sterk aan het afnemen, en wordt niet gecompenseerd door een versterking van universitaire research. Toepassingen die liggen aan het eind van een lange weg beginnend met een wetenschappelijke ontdekking, zijn meestal onzichtbaar voor iedereen, óók voor de ontdekkers. Het is dus buitengewoon riskant om onderzoek slechts te richten op terreinen waar nu al applicaties - letterlijk - te voorzien zijn. Vandaar de beperktheid van het door beleidsmakers zo bejubelde 'doelgericht fundamenteel wetenschappelijk onderzoek'. Iets anders is de situatie waarbij het wél duidelijk is dat bestaande wetenschappelijke kennis uitgebouwd en 'omgezet' kan worden in toepassingen, in nuttigheid. In die zin is 'strategisch onderzoek' zeker denkbaar en kan in wisselwerking met de industrie tot succes leiden. We zien dit ook in recente ontwikkelingen bij octrooien. In octrooien wordt, net als in wetenschappelijke publikaties, verwezen naar eerder werk, de 'bouwstenen'. Aanvankelijk waren dat vooral verwijzingen naar eerdere octrooien. Maar nu wordt, in steeds sterkere mate, in octrooien direct verwezen naar wetenschappelijke publikaties als bouwstenen van de nieuwe technologische uitvinding. Omdat de industriële bijdrage aan lange-termijn onderzoek verder afneemt, wordt het universitaire fundamentele onderzoek steeds belangrijker voor onze toekomst. De, vooral in Nederland, veel gehoorde opmerking - met name afkomstig van belangrijke industrieën en, in hun kielzog, belangrijke adviescommissies van de overheid - dat het universitaire onderzoek op de eerste plaats ten dienste staat aan het onderwijs, getuigt dan ook van weinig realiteitszin. Het is bovendien misleidend op een voor de universiteiten schadelijke wijze. Het speelt bezuinigende politici die geen boodschap hebben aan de lange termijn regelrecht in de kaart. Buiten Nederland, met name Duitsland en de Verenigde Staten, wordt daar heel anders over gedacht. In maart van dit jaar richtten de 15 grootste Amerikaanse industriële bedrijven zich tot House Speaker inzake overheidsbestedingen, Newt Gingrich. Zij sluiten hun brief als volgt af. 'Our message is simple. Our university system and its research programs play a central role in advancing our state of knowledge. Whithout adequate federal support, university research efforts will quickly erode. American industry will then cease to have access to the basic technologies and well-educated scientists and engineers that have served American interests so well. We, therefore, respectfully request that you maintain support for a vibrant, forward-looking university-based research program.' Kom in dit land eens om zo'n ondersteuning! We hebben het nu toch weer de hele tijd gehad over nuttigheid. Daarom is het goed er op te wijzen hoe wetenschap tot stand komt. Die andere dimensie dan nuttigheid: simpelweg het willen weten hoe de wereld in elkaar zit, wie we zijn. Burton Richter wijst er op dat de belangrijkste motivatie voor wetenschapsbeoefenaren ligt in het vinden van iets dat nooit eerder gevonden is, het begrijpen van iets dat nooit eerder begrepen werd, en het doen van iets dat nog nooit eerder gedaan is. Deze motivatie spreekt ook een groot publiek aan, en is mede daarom als culturele dimensie van wetenschapsbeoefening te beschouwen. Is het nuttigheidsdenken een nieuwe, door ongeduldige politici veroorzaakte plaag? Welnee. Honderdvijftig jaar geleden bezocht de Engelse eerste minister William Gladstone het rommelige laboratorium van Michael Faraday, de grote pionier op het gebied van elektriciteit en magnetisme. Gladstone bromde dat hij het erg interessant vond maar vroeg zich af waar het allemaal goed voor was. Faraday antwoordde: 'Sir, I do not know, but someday you will tax it.'