Liefde op afstand

Opgewonden zat ik op een donderdagavond, weggedrukt in een pluche zetel op rij H, in het AT&T danstheater te wachten op de naam van het affiche: Michail Barysjnikov. Hij verscheen in het wit. Inderdaad, kwajongensogen in een mannengezicht. Flets was alleen de kleur van zijn ogen. Hij danste twee solo's, één op muziek van Pergolesi, één zonder begeleiding. Stilte vergt veel van het gevoel van timing. Het is bewegen op een innerlijk ritme, met als enige houvast de eigen ademhaling en lichtvoetigheid.

Was het niet Yeats die zich afvroeg: “Hoe kunnen wij de danser van de dans onderscheiden?” Een dans is volmaakt onherhaalbaar. De danser legt zijn individualiteit in de dans; geen twee dansers zullen één en dezelfde dans precies op dezelfde manier uitvoeren. Barysjnikov voegt daar zijn ironie aan toe. Met de distantie van een megaster kan hij, met de olijke knipoog van de meester, iedere dans relativeren zonder dat het fenomeen dans aan kracht inboet. Stilstand en beweging, vertraging en versnelling: het smelt samen in één lijf.

Barysjnikov was voor mijn geheugen de opmaat tot twee dingen. Voor alles Joseph Brodsky. Hij droeg een gedicht op aan Barysjnikov (in De herfstkreet van de havik), waarin de regels:

'We drukken onze billen in een keizerlijk zacht pluche,/terwijl een mooie vrouw, waarmee je nooit zult vrijen,/klapwiekend in het lopend schrift van snelle dijen,/weer naar de tuin wegfladdert in één lange vlucht.'

Daarmee schreef Brodsky aan mijn biografie. Ik herinner mij de eerste keer dat ik Carine zag, na een uitvoering, zittend in de rafelige ambiance van een pretentieus hotel. Lila mantelpak, zwarte pumps en, onmiskenbaar, de krachtige kuiten van een danser met die typerende uitstraling van een stijlvolle dierlijkheid. Door het vuurrode haar leek ze een towering inferno, zeker als ze danste. Liefde op afstand houdt je echter buiten de gevarenzone. Steeds waren de pauzes waar mogelijk voor ons tweeën, kameraadschappelijk leunend op een balustrade. Een jaar later, toen wij enkele maanden minnaars waren, verzekerde ze mij dat mannen op dansers vallen “omdat zij met hun lichaam alles kunnen doen”.

In het danstheater vervlocht de zelfgekozen vlucht van Barysjnikov zich met het gefladder van een herinnering. Hij de in Leningrad klassiek geschoolde danser, zij in jazzdans gevormd bij Luigi in New York. Maar allebei mateloos in een wereld op maat, dansend op versvoeten. De gebroeders De Goncourt omschreven de wens van alle dansers als volgt: “Ze dromen dat ze zich door hun enorme sprongen aan de kroonluchter branden.” Dat maakt van iedere danser een soort Icarus, in een bijna godgelijke vlucht.

Brodsky wist dat allemaal al. En kijkend naar Barysjnikov dacht ik aan zijn versregel: het is niet zozeer dat je zo mooi bent/ als wel zo onherhaalbaar.

    • Frans Meulenberg