In Liefde Bloeyende

DAIMOON MEGAS

Mijn daimoon bedroefde bij nacht mijn bloed:

het hoofd in uw armen, het hoofd van een man

het is niets. En uw dagen en nachten zijn niets

dan een schaduw van schaduwen; al wat gij doet

het is niets: en het vlees dat gij eet, en het bloed

dat gij drinkt, het is niets. Verfoei ook den geest!

Want de ziel die gij eet, het visioen dat gij drinkt

het is niets. En zo al wat gij zoekt, wat gij doet

het is niets. Het is minder dan de as en het schuim.

En de mond op uw hart, het is niets. Als het zand

aan de zee is u alles, en minder dan as

van het vuur, en uw dromen zijn minder dan puin.

Want al wat gij drinkt en verteert, alles voedt

slechts mij, en de macht is aan mij, echter gij

gij zijt niets dan een schaduw, en ik ben die leven

in doodsstrijd en sterven al levende doet.

Ik slechts verzwijg u. Mijn daimoon bij nacht

bedroefde mij bitter. En 't hoofd in mijn arm

het hoofd van een man, het is niets. Het is niets

dan een aangezicht, sluimrend, vol koelte en zacht.

Christine D'haen (geb. 1923)

Dit is een van de gedichten waarvoor ik, gesteld dat ik een Turk was, Nederlands zou willen leren. Het geeft zich niet gemakkelijk gewonnen, maar al bij eerste lezing begrijp je dat hier iets bijzonders aan de hand is.

In 1951 verscheen het voor het eerst en pas in een latere druk voegde de dichteres er een motto aan toe een citaat uit Plato's Gastmaal, waarin Diotima de liefde een daimoon megas, een machtig demon, noemt. “Immers, al het demonische staat tussen het goddelijke en sterfelijke in.”

Maar ook zonder dat motto, en meteen al bij die eerste lezing, hadden we kunnen begrijpen dat het in dit gedicht draait om de liefde en om het grensgebied tussen de eeuwigheid en het moment. Om seksualiteit, derhalve.

Er is sprake van een demon die door het bloed spookt en die blijft hameren het is niets, het is niets, het is niets - en het is geen vrolijke demon. Hij bedroeft, hij bedroeft zelfs bitter. Het is overduidelijk een gedicht uit de koker van het seksueel pessimisme. Ondanks de heidense titel en de heidense protagonist is het doordrenkt van christelijk grondsop. Het beeld van de mens als een wandelend graf, van zijn leven als een schaduw van schaduwen, van zijn denken en zijn doen, zijn vlees en zijn ziel als stof, as en niets, het komt allemaal uit de bijbel.

De droefheid van de seksualiteit ligt in de herhaling. De herhaling wordt hier met herhaling bestreden - de herhaling van de formule. Al wat gij, al wat gij. Het is niets, het is niets. Dit tweegesprek (nauwelijks een twistgesprek) van de ik met de demon bij nacht roept een reeks beelden op waarmee we vertrouwd zijn geraakt uit de christelijk-judaïsche worsteling met de seksualiteit. Suggestief wordt er verwezen naar een rituele bezwering, met als doel de seksualiteit te onderdrukken. Het hoofd in de armen, het reëel aanwezige hoofd van een man, het is een bedreigende schim, een aanwezigheid die tot niets, tot de dood leidt.

Maar ook maakt de herhaling de indruk van een litanie, waarbij de seksuele daad achteraf wordt beweend. Een soort schuldbewuste triestheid van na de coïtus.

Is het de seksuele aandrang of juist de nasmaak die hier bedroeft?

Er steekt voor de sprekend ingevoerde demon in elk geval niet één louterend aspect in de seksualiteit - lichamelijkheid is niets dan eten en drinken, zelfs als de lichamelijke vereniging geestelijk wordt voorgesteld. Want ook het visioen en de ziel van de ander worden gegeten en gedronken - opgeslorpt. Tussen de twee polen Angst en Walging tobt de vergeefs hunkerende mens bij nacht.

Het hoofd in uw armen, 't hoofd in mijn arm, het hoofd van een man: dat hoofd staat er zo geïsoleerd en lichaamloos bij, dat men waarachtig niet kan nalaten - en al helemaal niet wanneer het beeld ook nog eens wordt herhaald - te denken aan het afgehakte hoofd in de armen van Salome. Het hoofd op de schotel. En het hoofd werd op de tafel gezet.

Al dat soort indrukken dringt zich bij eerste lezing al min of meer op. Herlezen we het gedicht goed, dan ontdekken we nog eens extra de indrukwekkende kracht van het slot.

Ik slechts verzwijg u, zo besluit de demon. Maar de 'u' is er daarna nog, de 'u' blijft bestaan. De dichteres heeft zich niet laten bedelven onder de monoloog (of de dialoog met zichzelf). De demon is in ons en hij heeft het andere deel, zijn gesprekspartner, niet kunnen doodzwijgen of ritueel-bezwerend kunnen platwalsen

het hoofd van een man, het is niets. Het is niets

dan een aangezicht, sluimrend, vol koelte en zacht

zo overweegt de dichteres, alle bedroeving en bedroefenis ten spijt.

De vitaliteit en het heidendom lijken uiteindelijk te winnen van het pessimisme en de christelijke repressie.

Maar toch, maar toch. Zou het ondenkbaar zijn dat de dichteres daar, bij nacht worstelend met de duivel en de spijt, terneerligt met in haar armen zomaar een los hoofd van een man?

...een aangezicht, sluimrend, vol koelte en zacht, het is een teder, verheven beeld, maar het sluit het ontbreken van een romp, met de onvermijdelijke geslachtsdelen, niet uit. Laten we hopen dat de dichteres daarop geen seconde heeft willen zinspelen, laten we hopen dat het een drogbeeld is. Vade retro, Satanas.