In geval van nood kan ik de politie aanroepen

Den Haag is geen stad. Den Haag is een bouwput. Straten worden afgesloten, tramlijnen liggen open, zebrapaden zijn verdwenen onder hopen zand. En dus worden automobilisten woedend, zoeken reizigers verwoed naar hun tramhalte en halen voetgangers halsbrekende toeren uit om het volgende trottoir te bereiken.

De gemeente Den Haag hoefde over de invulling van de zogenoemde Melkert-banen dan ook niet lang na te denken. Met subsidie van het ministerie van sociale zaken (34.000 gulden per jaar per baan) stelde de gemeente 42 langdurig werklozen als verkeerstoezichthouders aan. Zij houden auto's tegen die perse een afgesloten weg in willen rijden, helpen voetgangers met oversteken en vullen schadeformulieren in na een aanrijding.

Voormalig werkloze Ruud Streef (34) is een van de Haagse verkeerstoezichthouders. Hij draagt een uniform (donkerblauw jack en dito broek) en aan zijn broeksriem hangt een portofoon. Geen wapen, geen handboeien. “Ik zie mezelf als dienstverlenend. Ik ben altijd correct, word hooguit minder vriendelijk. En in gevallen van nood kan ik via mijn portofoon de politie oproepen.”

Maar in de drie weken dat de verkeerstoezichthouders actief zijn, heeft Streef geen enkele keer de hulp van agenten ingeroepen. Natuurlijk staat hij wel eens tegenover boze automobilisten. “Dan ga ik praten. Als die man dan afdruipt en denkt 'die gozer heeft toch wel gelijk', heb ik het meeste plezier.” En, benadrukt Streef, tegenover opgefokte bestuurders staan dankbare ouderen die hij helpt de losliggende tegels te vermijden.

Een jaar of langer werkloos is het criterium voor een Melkert-baan, genoemd naar de minister van sociale zaken en werkgelegenheid. Ruud Streef zat al anderhalf jaar zonder werk. Daarvoor had hij bijna elf jaar gewerkt. Bij de PTT als medewerker pakketpost. Bij de Haagse Tram Maatschappij (HTM) als controleur. Bij een beveiligingsbureau als bewaker. Bij de gevangenis in Scheveningen als bewaarder.

Streef bleek in de categorie 'twaalf ambachten en dertien ongelukken' te vallen. Bij de HTM moest hij plaats maken voor overtollige chauffeurs, als bewaker nam hij zelf ontslag omdat hij zich stierlijk verveelde en in de gevangenis kon hij niet aan de sfeer wennen. “Voor controle van de cel staken de gevangenen rechtop scheermesjes in de plinten, zodat je je handen tot bloedens toe open haalde. Die gasten zitten daar vierentwintig uur per dag te bedenken wat voor rottigheid ze kunnen uithalen.”

Hij werd werkloos, hing rond, bezocht kameraden. “Maar ja, ik had weinig om over te praten”, zegt hij en schokschoudert. “Ook op verjaardagen. Werk komt nu eenmaal altijd ter sprake. Dan kon ik niets zeggen.”

Toen hem een Melkert-baan werd aangeboden, greep hij zijn kans. Streef kreeg een contract voor een jaar, dat na een goede beoordeling kan worden verlengd met nog een jaar. Na die periode heerst onzekerheid - niemand weet of de Melkert-banen daadwerkelijk worden omgezet in structurele, blijvende banen. Streef is een blijde verkeerstoezichthouder. “Ik verdien maar tweehonderd gulden meer dan mijn uitkering bedroeg.” En daarvoor moet hij bij een vroege dienst wel om half zes zijn bed uit. Mocht de arbeid het komende jaar toch nog tegenvallen, dan kan hij altijd weg. “Het is vrijwillig. Als het me niet bevalt, kan ik vertrekken.”

    • Yaël Vinckx